zaterdag 17 september 2016

Niet racisme maar onze gevoeligheid ervoor is in opmars


Zelden zoveel voorwaardelijke zinsconstructies na elkaar gehoord als donderdagavond in Ter Zake. Open VLD parlementslid Luk Van Biesen wrong zich langs de nodige bochten om zich, indien hij verkeerd begrepen zou geweest zijn, eventueel te verontschuldigen voor het voorval dat zich zou hebben voorgedaan indien we degenen mogen geloven die zijn woorden verdraaid hadden (of zouden hebben). Het parlementslid was formeel: indien iemand anders in het halfrond zoiets zou gezegd hebben – of zou beschuldigd worden van iets dergelijks gezegd te hebben – dan zou Van Biesen de eerste zijn om recht te veren en dan – euhm – dezelfde valse beschuldigingen te uiten.

Ten eerste, als Van Biesen wil vermijden dat hij, naast het voltallige halfrond, alle krantencommentatoren en zijn eigen partij, ook nog taalcolumniste Ann De Craemer over zich heen wil krijgen, dan moet hij ophouden “moest” te zeggen in plaats van “mocht”. Dat kan handig zijn, mocht hij zich nog eens in voorwaardelijke zinswendingen willen uitputten voor een volgende stommiteit. Als hij dat niet kan opbrengen, keert hij beter terug naar Kraainem, het keuterdorp waaruit hij klaarblijkelijk is ontsproten (Excuses aan alle Kraainemnaars die mij per se verkeerd willen begrijpen).

Dat hij het woord “Marokko” uitsprak in het parlement, toen hij Meryame Kitir iets toebeet na enkele pousse-café’tjes, dat wil hij nog net erkennen. Maar het was zeker niet aan haar gericht, hoogstens aan de – overigens “zeer performante” – voormalige werknemers. Die waren zo  verbluffend goed in hun vak, aldus Van Biesen in Ter Zake, dat ze eigenlijk eender waar aan de slag zouden kunnen na ontslag. “Ergens anders ter wereld”, dat wou Van Biesen eigenlijk zeggen, maar om de een of andere reden was het eerste land dat hem te binnen schoot – met mevrouw Kitir in zijn gezichtsveld – “Marokko”.

Minstens zo belangrijk als het incident zelf, is de universele en kordate veroordeling van Van Biesens lapsus. Zelfs zijn eigen partijleden gingen zich donderdag al - terecht - uit plaatsvervangende schaamte excuseren bij Kitir. Dat een dwaze uitschuiver van een parlementslid, met inderdaad racistische ondertoon, meteen alle voorpagina’s van de nationale kranten haalt, betekent dat onze tolerantiedrempel voor racisme sterk gedaald is. Dat zijn de ‘Better Angels of our Nature’ waarover de psycholoog Steven Pinker spreekt in zijn gelijknamige boek over morele vooruitgang, naar de gevleugelde woorden van Abraham Lincoln. Vergis u niet: niet racisme is aan een opmars bezig, wel onze gevoeligheid ervoor.

Laten we immers wel wezen: dit blijft een randgeval van racisme, omdat Van Biesen niet expliciet naar ethnie of huidskleur verwijst, en geen superioriteit van zijn eigen ras uitspreekt (het zou er nog aan mankeren!). Er is enkel een even vage als vuige insinuatie, een dronken lapsus van iemand die zijn parlementaire zitbank voor een cafétoog hield. Maar een doorgewinterde racist haalt er zijn schouders voor op: die kan nog wel wat erger verzinnen, als hij in zijn stamcafé oreert. 

Terwijl ik dit stuk uittik, werd bekend dat Van Biesen zijn bochtenwerk alsnog heeft afgerond en mea culpa sloeg voor de camera’s van het éénuurjournaal, met Kitir aan zijn zijde. Of zijn “betere engelen” hem vannacht iets in het oor hebben gefluisterd, dan wel de spookverschijning van Gwendolyn Rutten, laat ik hier nog in het midden. Chapeau in ieder geval voor de ruimhartige Kitir, die naar eigen zeggen blij is “dat het probleem erkend is”.
Wat Van Biesen in de Kamer precies heeft uitgekraamd, in zijn onnavolgbare Kraainemse koeterwaals, zullen we misschien nooit weten. Of het zou van de liplezers van het parlement moeten komen. Van Biesen beloofde in zijn mededeling nog initiatieven om racisme “op alle vlakken te bestrijden”. Misschien eens denken aan praktijktests op de arbeidsmarkt, voor van die werkgevers die vinden dat al die “bruine mannen” maar in Marokko werk moeten zoeken? 


(De Morgen, 17 september 2016)

vrijdag 9 september 2016

Glasnost voor de agnost

Dyab Abou Jahjah schrijft in De Standaard dat ik “helemaal de pedalen verlies” als ik over de islam schrijf, maar op de drie kernpunten van mijn betoog geeft hij me wel (knarsetandend) gelijk: IS-terroristen hebben een religieuze drijfveer (contra Coolsaet & Ramadan), de hele orthodoxe islam is dringend aan hervorming toe, en die hervorming zal van binnen de gemeenschap moeten komen. Nog enkele rechtzettingen.

Na de beruchte uitspraak van Jan Jambon over feestende moslims op straat, had ik naar een interview verwezen met een bandlid van The Eagles of Death Metal, die hetzelfde getuigde na de aanslagen in Parijs. Dat is op zich geen gekke complottheorie: terroristische organisaties gedijen bij gratie van steun bij een deel van de gemeenschap van waaruit ze rekruteren (zie het onderzoek van Mark Juergensmeyer). Dat tienduizenden IS-sympathisanten de aanslagen op sociale media toejuichten, is een aantoonbaar feit. Dat er daarvan geen enkele in Parijs zou rondlopen, zou sterk verbazen. Niettemin: Jesse Hughes bleek na enig opzoekwerk een nogal volatiele figuur met een verleden van bedenkelijke uitspraken. Niet geloofwaardig als getuige dus, wat ik meteen heb getweet“Die kerel heeft inderdaad een vijs los. Ik neem zijn uitspraken niet langer ernstig, ook niet wat ik eerder tweette.” Dyab weet dat, want de tweet was aan hem gericht. Dat hij die kwestie nu opnieuw oprakelt, zelfs na mijn publieke terugtrekking, is niet alleen laag, maar geeft aan hoe diep hij moet graven om mij in diskrediet te brengen.

Dat ISIS slechts een kleine minderheid binnen een minderheid vormt in de moslimwereld (enkele tienduizenden aanhangers wereldwijd), heb ik nergens ontkend. Mijn punt was dat, wie die open deur blijft intrappen, voorbijgaat aan het veel grotere probleem met de orthodoxe islam. Ook dat erkent Abou Jahjah, zij het met de vrijblijvende en nietszeggende term “problematische elementen”, wellicht het grootste eufemisme dat ik ooit van deze scherpe polemist las. Concreet: slechts een kleine fractie van de Egyptische moslims is aanhanger van ISIS, maar niettemin vindt 64% dat afvalligen de doodstraf moeten krijgen. Moeten we dat geruststellend vinden?

Tot slot: hervormers als Maajid Nawaz, Bassam Tibi en Irsjad Manji zijn wel degelijke gelovige moslims. In de anti-radicaliseringsdenktank Quilliam van Nawaz werken zelfs islamtheologen, zoals de moedige Usama Hasan, die een lans brak voor de evolutietheorie en daarvoor prompt - het wordt voorspelbaar - met de dood werd bedreigd. Andere activisten die ik noemde, zijn culturele moslims, afvalligen, of agnosten zoals Abou Jahjah. Moeten we die uitsluiten van hervormingspogingen? Neem Abou Jahjah zelf, een culturele moslim met een Arabische achtergrond, die er nog niet aan uit is of Allah al dan niet bestaat. Vergelijk dat met mij, een blanke ex-katholieke atheïst, die zeker weet dat Allah niet bestaat. Drie keer staat Abou Jahjah dichter bij de moslimgemeenschap. Iemand met die achtergrond zou men moeilijk kunnen wegzetten als een losgeslagen islamofoob met een Europese superioriteitswaan. Een beetje zoals Abou Jahjah graag met mij doet.

En inderdaad: laten we ook progressieve imams als Khalid Benhaddou en Brahim Laytouss meer aan het woord laten. Hopelijk kunnen zij de rol van moslimhervormer wél waarmaken.

donderdag 8 september 2016

Luister naar moslimhervormers

(De Standaard, 8 september 2016)
De Amerikaanse onderzoeker David Cook, auteur van doorwrochte studies over eindtijddenken en jihadisme, zei vorige week inTrouwdat er een ‘gigantische onwil’ bestaat bij veel kenners, en zelfs bij veiligheidsdiensten, om moslimradicalen op hun woord te geloven. Helaas heeft hij overschot van gelijk. Gisteren zong de islamapologeet Tariq Ramadan nog eens het vrome refrein dat IS-terroristen om ‘niet-godsdienstige redenen’ toeslaan, ongeacht wat ze zelf uitschreeuwen (DS 7 september). De echte drijfveer is gewoon ‘betekenis geven aan hun leven’ en ‘dagelijkse frustraties’ overwinnen.
Ook bij veel seculiere ongelovigen, vervreemd van de kracht van religieus geloof, bestaat er een verbijsterend onvermogen om de religieuze wortels van jihadisme in te zien, en een heilige schrik om religie tegen de borst te stuiten. De kalief bezit een doctoraat islamologie, en de obsessie met religieuze teksten spat van elke pagina van het IS-tijdschrift Dabiq, maar Rik Coolsaet debiteert over IS-strijders: ‘De Koran hebben ze nooit gelezen’ en ‘godsdienst of politiek heeft daar weinig mee te maken’. Hadden alle kruisvaarders dan de Bijbel bestudeerd? Wil dat zeggen dat de kruistochten niets met het Christendom te maken hebben? ‘Er niet bij horen’, daar ontspruit volgens Rik Coolsaet de Syriëgang. Men vraagt zich af of moslims in Saudi-Arabië en Tunesië, hofleveranciers van IS, ook het gevoel hadden ‘er niet bij te horen’.
Onfeilbare Koran
Die discussie is al vaker gevoerd, en ze kan u wellicht vervelen, maar ik wil hier iets anders aankaarten. Er is een stem in dit debat die nauwelijks aan bod komt. In een stuk voor Free Inquiry schrijft de Iraaks-Amerikaanse activist Faisal Saeed Al Mutar dat er met betrekking tot radicalisme twee strekkingen bestaan binnen de moslimgemeenschap (behalve de radicalen zelf). Naast de religieuze apologeten als Ramadan is er een groeiende groep ‘moslimhervormers’, die erkennen dat jihadisten hun inspiratie putten uit een rechtlijnige en radicale lezing van dezelfde heilige teksten waaraan orthodoxe moslims – ook de apologeten – lippendienst bewijzen. Deze hervormers beseffen ook dat het probleem met islamfundamentalisme veel groter is dan IS. Peilingen van het Pew-onderzoekscentrum laten zien dat er onrustwekkend grote steun is in de Arabische wereld voor de invoering van de sharia, de steniging van overspelige vrouwen, en de doodstraf voor afvalligen en homoseksuelen. Die achterlijke ideeën, zo beseffen moslimhervormers, vinden hun oorsprong in het eveneens wijdverbreide geloof in de onfeilbaarheid van de Koran. Apologeten folteren de heilige tekst en pleiten religie vrij, moslimhervormers zien in dat de heilige teksten zelf aan herziening toe zijn.
Het probleem is dat deze groep hervormers in de media nauwelijks aan bod komt. Uitentreuren komen de gekende apologeten opdraven, zoals Tariq Ramadan, Karen Armstrong, Rik Coolsaet en John Esposito, om ons gerust te stellen dat IS niets met de islam te maken heeft, en dat alle fouten bij het ‘Westen’ liggen.
Wanneer horen we bijvoorbeeld eens de Pakistaans-Britse activist Maajid Nawaz, een voormalige jihadist die nu strijdt tegen radicalisering? Of iets academischer, de Duitse moslimhervormer Bassam Tibi, auteur van talloze werken over moderniteit en islam, en oprichter van de Arabische Organisatie voor Mensenrechten? Laat eens moslimactivisten als Maryam Namazie, Taslima Nasreen, Asra Nomani, Irsjad Manji, of afvallige moslims als Faisal Saeed Al Mutar en Ali Rizvi aan het woord. Zij strijden al lang voor mensenrechten en democratie in de Arabische wereld, en weten verdomd goed dat het probleem bij de religieuze doctrines ligt.
Ongelovige honden
In Vlaanderen zijn dergelijke moslimhervormers helaas schier onbestaande, of zwichten ze voor de intimidatie van radicale geloofsgenoten. De filmmaker Ismaël Saidi en islamoloog Rachid Benzine, die een filmproject aankondigden om de Koran te historiseren, moesten hun plannen meteen onder doodsbedreigingen afblazen. Ex-moslims blijven al helemaal onder de radar, om redenen die voor zich spreken.
Dyab Abou Jahjah zou, als seculiere moslimintellectueel en columnist van deze krant, deze constructieve rol van moslimhervormer op zich kunnen nemen. Maar in plaats daarvan neemt hij (uitgerekend als agnost) de haatverzen in de Koran in verdediging, gelooft hij tot op vandaag dat in Keulen ordinaire zakkenrollers aan het werk waren, en praat hij Vlaamse moslims een achtervolgingswaan aan door te verkondigen dat ze de ‘nieuwe joden’ zijn, ondanks alle vrijheden die ze hier genieten, en dat de jaren 30 om de hoek loeren. En zet hij iedereen als ‘islamofoob’ weg die daar anders over denkt.
Ongelovige honden mogen blijven blaffen, maar de echte hervorming zal van binnen de islam moeten gebeuren. Laten we de moslimhervormers steunen, en hen vooral aan het woord laten.

vrijdag 26 augustus 2016

Brief van Boran d'Halboch

(Een zekere Boran d'Halboch stuurde me onderstaande brief, met de vraag om hem op mijn blog te publiceren. Boran d'Halboch is het pseudoniem van een voormalige godsdienstleraar die van zijn geloof afviel door zijn lectuur van atheïsten als Richard Dawkins en Daniel Dennett. In zijn brief rekent hij af met de Kerk en met het "gewauwel en de mistspuiterij" van theologen en metafysici, met name de rector van de KULeuven.)


Toen de KU Leuven nog bestierd werd door een echte rector, zijnde Roger Dillemans, en niet één of ander mediaverschijnsel, studeerde ik er vier jaar aan de theologiefaculteit, de oudste en lange tijd de belangrijkste faculteit aan de eerbiedwaardige Alma Mater. Daarna gaf ik jarenlang, met wisselende voldoening, het vak 'Rooms-katholieke godsdienst' op een middelbare school. Op mijn aanwervingscontract stond een stempel die erop wees dat de toenmalige bisschop van Brugge - ja, dezelfde die nu ergens in het verborgene vertoeft - geen fundamentele bezwaren had bij het idee dat ik voortaan de Rooms-katholieke godsdienst zou gaan verkondigen aan de Vlaamse jeugd. Nihil obstat heet dat dan in kerkelijk jargon. Blijkbaar was de bewuste bisschop niet zo streng voor zichzelf als voor de godsdienstleerkrachten die hij uitzond: zijn relatietje verdiende in zijn ogen kennelijk geen nihil obstat. Wat een deuk in het morele blazoen, ja zelfs in de morele pretentie, van de kerk was me dat! Alweer een, jawel, illusie armer!
Gaande weg taande mijn kerkbetrokkenheid, en die stond al bij aanvang van mijn studie op een laag pitje. Al snel gaf ik mijn lidmaatschap bij de club, die zich 'de Enige Ware Apostolische Kerk' waant, op. Toen nog om redenen die een zekere betrokkenheid verraadden. Zo ergerde ik mij mateloos aan de hypocrisie van de veroordeling van de bevrijdingstheologie. Terwijl Johannes Paulus II zowat persoonlijk het einde van het communisme bewerkstelligde, verbood hij Latijns-Amerikaanse bisschoppen en priesters aan 'politiek te doen' (lees: op te komen voor de armen en verdrukten). 
Een tiental jaar geleden ging mijn geloof zélf voor de bijl. Ik begon me te interesseren voor de evolutieleer en kwam zo bij Dennett, Dawkins en anderen terecht. Voor mij geldt dus zeker wél dat boeken een gelovige tot ongeloof kunnen brengen. En ja, ook voor mij, betekent de evolutieleer een hoogtepunt in de wetenschap. Darwins leer verschaft mij in elk geval wel verklaringen voor allerlei fenomenen die bij religies alleen aanleiding gaven tot tomeloos en lachwekkend gefantaseer. Ik kan heel moeilijk begrijpen hoe iemand die de evolutieleer echt helemaal doorgrondt, kan stellen dat hij of zij toch nog in God gelooft. Torfs ziet hier geen graten in. Tja, ...
Vandaag beschouw ik mezelf als een overtuigd atheïst. Ik schaam me er zelfs voor dat ik zolang zo'n groteske illusie achterna ben gelopen.
Het zal daarom niet verwonderen dat ik mij geenszins kan vinden in de recensie die de olijkste onder de Vlaamse rectoren over Maarten Boudry's boek in De Standaard publiceerde. Torfs bekent dat hij al meteen bij de eerste zin van het boek ('Iedereen koest illusies. Maar hebben we ze ook nodig?') het spoor van de auteur kwijt was. Met andere woorden, beste Rik, is het volgens u beter om illusies niet in vraag te stellen? Mij had Boudry in elk geval meteen bij de lurven.
Vervolgens schijnt Torfs het een probleem te vinden dat Boudry een 'niet heldere' definitie geeft van het begrip 'illusie'. Ten eerste vind ik Boudry's definitie behoorlijk accuraat. Ten tweede hou ik, zoals Torfs blijkbaar wel doet, niet van 'meerduidige definities' of een 'veel-lagige werkelijkheid'. In mijn ogen zijn dat louter eufemismen voor het gewauwel en de mistspuiterij van metafysici en theologen. Dennett heeft daar een mooi woord voor: 'deepities', schijnbare diepzinnigheden.
Wat verder heeft Torfs het over geloof als genade: 'Ik ervaar geloof als een genade, sporen ervan zoek ik in de diepte der dingen: kunst, poëzie, natuur, mensen.' Een typische godsdienstige recuperatie van zaken die in se seculier zijn. Alsof een verstokt atheïst niet van kunst of de natuur zou kunnen genieten... Denk aan de discussie over Bachs Matteüspassie. Als nieuwbakken heiden vind ik dat nog steeds hét hoogtepunt uit de geschiedenis van de muziek.
Torfs daagt Maarten Boudry uit om hem de ongerijmdheden uit de evangelies aan te wijzen. Ik beveel de rector de boeken 'De Schrift betwist I & II' van Maarten 't Hart aan. 't Hart, een van zijn geloof gevallen gereformeerd protestant, kent zijn Bijbel trouwens beter dan menig christen. Niet zo verwonderlijk trouwens: hedendaagse christenen hullen zich liever in onwetendheid over die vervelende passages in de Bijbel die niet in hun kraam passen...
Eindigen wil ik met de volgende bedenking: Torfs verwijt Boudry dat zijn 'religieuze wereld wel een heel aparte plek is'. Wat hij bedoelt is: 'ik herken het beeld dat Boudry van religie ophangt totaal niet als het mijne'. Boudry zou een archaïsch, door moderne, verlichte christenen al lang in de vuilbak gekieperd (gods)beeld hanteren. Wat mij al verschillende keren is opgevallen, dat is dat, als je aan diezelfde liberale christenen gaat vragen wie God dan wel voor hen is, zij vaak met hun mond vol tanden staan of aan 'negatieve theologie' beginnen te doen: opsommen wat God niet is voor hen. Hun God is zo transcendent en abstract dat ze heel dicht bij het alom bekende ietsisme terecht komen, dat op zijn beurt maar heel weinig verschilt van 'nietsisme'. Ik denk hierbij opnieuw aan Daniel Dennett en raad iedereen aan om op YouTube eens zijn uiteenzetting over 'How To Tell You're An Atheist' op te zoeken. 
'Illusies voor gevorderden' is een dijk van een boek! Helder geschreven en met een heerlijk tongue in cheek!
Boran d'Halboch

vrijdag 12 augustus 2016

Schaf de godsdienstvrijheid af!

(De Tijd, rubriek 'De Prullenmand', 12 augustus 2016) 

Ik ben nogal gesteld op onze vrijheden. Maar we moeten niet overdrijven. Eentje die voor mij op de schop mag, is de godsdienstvrijheid. Dat beginsel is in het beste geval volstrekt overbodig, maar meestal zelfs discriminatoir, arbitrair en absurd.
Alle vrijheden waarop religieuze gelovigen recht hebben, zitten al verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, met name de vrijheid van gedachte en geweten, en de vrijheid van vereniging. Meningen zijn vrij, of ze nu religieus heten of niet.
De aparte behandeling van godsdienst heeft historische wortels. Onze liberale principes ontstonden in een tijdperk waarin mensen vervolgd werden wegens hun religieuze opvattingen (door mensen met andere religieuze opvattingen). In een volwassen liberalisme echter, ontwikkeld door denkers als Spinoza en John Stuart Mill, ressorteert de vrijheid van religie onder een meer algemene vrijheid van meningsuiting.
Kan het echter kwaad dat er, ten overvloede, ook een aparte vermelding van de vrijheid van godsdienst in onze grondwet staat? Vergelijk het met de vrijheid van gastronomische opvattingen of de vrijheid van meningen geuit op donderdagen. Beslist overbodig, maar toch onschuldig?
Alle meningen zijn vrij, maar religieuze meningen vrijer dan andere.
Helaas is het niet zo eenvoudig. Volgens een wijdverspreide misvatting - die iedereen natuurlijk vrij mag verkondigen - verdient religie bijzondere voorrechten. Alle meningen zouden vrij zijn, maar religieuze meningen vrijer dan andere. Voor religie moet je altijd ‘respect’ opbrengen. Bestaat er ten slotte niet zoiets als ‘godsdienstvrijheid’?
Eerder dan overbodig is de godsdienstvrijheid in die interpretatie ronduit discriminatoir. Neem het recente advies van de Raad van State dat een algemeen verbod op onverdoofd slachten een inbreuk vormt op de godsdienstvrijheid. Religie krijgt hier dus een vrijgeleide. Dezelfde daad is strafbaar voor één bevolkingsgroep (atheïsten), maar toegelaten voor een andere (moslims en joden).
En wat heet ‘godsdienst’ überhaupt? Door een miskleun als godsdienstvrijheid in de grondwet in te schrijven, verplicht onze arme staat zich ertoe theologie te bedrijven. Heeft elke authentieke religie een scheppingsverhaal of geloof in een soort hiernamaals? Moet er een opperwezen zijn, of een eredienst? Is een heilig boek noodzakelijk? Geen van die eigenschappen is cultureel universeel. Met hoeveel moet je overigens zijn om samen een ‘religie’ te vormen? Is één roepende profeet in de woestijn voldoende?
Neem onze eurocentrische fixatie op heilige boeken. In de Koran staan vage bepalingen over lichaamsbedekking. Moslims schermen met die tekst om het recht op te eisen overal een hoofddoek te dragen. Maar ook de voorstanders van een hoofddoekenverbod laten zich tot een exegetisch steekspel verleiden. Staat er echt dat het hoofd bedekt moet worden, of is de borststreek voldoende? Schendt het verbod de godsdienstvrijheid, of niet?
Maar die discussie is absurd. Een gelovige geniet de vrijheid om een originele of zelfs onzinnige interpretatie van een tekst te kiezen. En waarom zou een overgeleverd boek als maatstaf gelden? Stel dat een moslima beweert dat het haar diepste innerlijke overtuiging is dat Allah die hoofddoek van haar verlangt, ongeacht wat de Koran of imam zegt. Misschien heeft een aartsengel het haar hoogstpersoonlijk ingefluisterd. Wie dat niet als ‘religie’ erkent, huldigt de macht van de meerderheid en discrimineert religieuze vernieuwers en minderheden.
En andersom: stel dat de Koran letterlijk en ondubbelzinnig stipuleert dat vrouwen overal in boerka moeten rondlopen, met slechts een kleine opening voor één oog, zoals een Saudische geestelijke voorstelde. Moet vadertje staat dan zeggen: ‘Het staat in dat boek, dus moeten we het toelaten?’
Is astrologie een religie? Naturisme? Rastafarisme? Iedereen die dat wenst, kan het etiket ‘religie’ met alle voorrechten opeisen. Een verantwoorde antropologische definitie is er toch niet. Dat is wat Scientology-peetvader Ron L. Hubbard deed, nadat hij voor onwettige uitoefening van de geneeskunde was veroordeeld. De hele doctrinaire zwik werd tot ‘religie’ omgedoopt, waardoor Scientology (voorheen Dianetics) tot op vandaag in de VS is vrijgesteld van belastingen, want ze is een ‘religie’.
Als het zo zit, doet deze atheïst ook zijn duit in het zakje. De almachtige heeft me zonet langs mijn sensus divinitatis doorgeseind dat onderhavig opiniestuk de onfeilbare en finale openbaring aangaande godsdienstige kwesties behelst. Respecteer mijn religie, gij allen! Het papier waarop deze openbaring is afgedrukt, is heilig. Wie deze krant in de prullenmand gooit, of door de papierversnipperaar jaagt, pleegt blasfemie. Heer, bevrijd ons van de godsdienstvrijheid!

zondag 7 augustus 2016

Interview Het Nieuwsblad

(6 augustus 2016)

De intellectuele opa en zijn kleinzoon: ze houden niet zo van die titel. “Een mens moet voor zichzelf denken.” Etiënne Vermeersch (82) en Maarten Boudry (31), de oude wijze en de beeldenstormer. Zet ze samen en je hebt het geweten van de natie. Een dat zijn licht laat schijnen op een samenleving die steeds meer in verval lijkt. “Natuurlijk is de islam gewelddadig. Als in de Koran zou staan dat mannen van mannen mogen houden, zou ISIS geen homo’s van hoge gebouwen gooien, hé.”

Jesse Van Regenmortel

“Hoe heet ge? Jesse? Dat is de vader van koning David, wist ge dat? De stamvader van het geslacht waaruit Jezus zogezegd komt. In Hasselt vieren ze elk jaar de Virga Jessefeesten. Iedereen denkt dat ze de heilige maagd vieren, maar eigenlijk vereren ze de roede van Jesse. Zijn penis dus.”

Hopla, Etiënne Vermeersch heeft de voordeur in zijn groene wijk in Wetteren nog maar half open, of hij is al godsdienstgeschiedenis aan het geven. Hij zal dat blijven doen, drie uur lang, aan de zijde van Maarten Boudry, de Gentse filosoof die stilaan de fakkel overneemt. We kunnen maar krap op een rij zitten in de studeerkamer van Vermeersch, waar het ruikt naar de metershoog gestapelde boeken. “Als ik op mijn hometrainer zit, moet ik me dwingen om ondertussen geen boek te lezen”, zegt Boudry. Maar we zijn hier niet in dit papieren heiligdom om het over hometrainers te hebben.

Is de wereld naar de knoppen?

Maarten Boudry: “Neen. Met sommige delen van de wereld gaat het bergaf, maar in algemene zin gaan we erop vooruit. Hoewel: ik waarschuw al langer voor het gevaar van de radicale islam, maar wat nu gebeurt, had ik niet zien aankomen. Vijf jaar geleden had ik niet durven te voorspellen dat er daadwerkelijk een kalifaat zou worden gesticht, dat daar tienduizenden volgelingen naartoe zouden trekken en dat die zo’n gruwelijke en barbaarse dingen zouden doen, dat zelfs Al Qaeda zich tegen hen zou keren.”

Etiënne Vermeersch: “De landen die de Arabische Lente hebben doorgemaakt, hebben stuk voor stuk een bevolking die in de afgelopen veertig jaar verdubbeld, verdrievoudigd of verviervoudigd is. Er komt een immense hoop jonge mensen bij die niet aan werk geraakt, die wanhopig is, niets te verliezen heeft én moslim is. En als die met miljoenen en miljoenen naar hier zouden komen, ook uit Afrika, heeft dat catastrofale gevolgen. Want we moeten een humane houding aannemen, maar aan de andere kant: we kunnen al die mensen niet aan, dat is niet te doen. En dat kan tot heel sterke tegenstellingen leiden. Een groep mensen die absoluut geen enkel slecht woord over de islam willen horen, versus zij die de islam compleet afwijzen. Dat wordt een serieus gevaarlijke situatie.”

Boudry: “Als weldenkende mensen is het daarom onze morele plicht om gefundeerde kritiek te geven op de islam. Net om te vermijden dat die kritiek wordt gekaapt door racisten. De grote bevolking van de Arabische wereld voelt zich vernederd door de jarenlange economische en politieke superioriteit van het Westen en vraagt zich af waar het is fout gelopen. De diagnose is snel gesteld: ze zijn te ver afgeweken van de zuivere bron van de islam. Moderniteit, seculariteit, voorbehoedsmiddelen, homoseksualiteit, genotscultuur, pornografie: ze gooien alles op één hoop en zetten zich er radicaal van af. Ze zullen wild in het rond trappen, maar ik ben hoopvol. Dat fundamentalisme is een stuiptrekking, een deel van de ondergang van een religieuze maatschappij.”

Toch hebben veel mensen het gevoel dat we op een kantelpunt in de beschaving zitten.

Vermeersch: “Alleen als je het op korte tijd ziet. Het is verkeerd om te denken dat onze beschaving achteruit gaat. Ze gaat vooruit, slavernij wordt niet meer aanvaard, er is minder rassenhaat, minder huiselijk geweld en meer rechten voor vrouwen en holebi’s. Maar er zijn dieptepunten in die beschaving – kijk naar de twee wereldoorlogen – en we sukkelen nu een beetje in zo’n ravijn.”

Voor eens en altijd: is de islam nu een gewelddadige godsdienst of heeft al die terreur niks met islam te maken?

Boudry: “Het christendom en Jodendom zijn ook gewelddadige godsdiensten. Mocht je de rekening maken, dan heeft het christendom veel meer bloedvergieten op zijn conto dan de islam. Alleen heeft het christendom door een historisch proces van verlichting zijn tanden verloren. Dat is bij de islam niet gebeurd. Voor de overgrote meerderheid van de moslims is de Koran létterlijk het Woord van God. Dan doet het ertoe wat daar precies staat. Als er zou staan: een man mag een man liefhebben zoals een man een vrouw liefheeft en God vindt dat allemaal prima, dan zou ISIS geen homo’s van hoge gebouwen gooien, dan zou een schutter in Orlando geen mensen neermaaien in een gay bar. Dus ja, de islam is een gewelddadige religie.”

Urbanus heeft ons een paar decennia geleden leren lachen met Jezeke, met Mohammed durven we nog altijd niet lachen. Zijn we daar te mild in geweest?

Vermeersch: “Weet je wat het vervelende is? De moslims die naar hier zijn gekomen in de jaren zeventig, waren vooral arme mensen uit plattelandsgebieden in Marokko en Turkije. Mensen die vaak analfabeet waren en met een verouderde opvatting over de islam zaten. Dan is het niet heel mooi om hen op hun kop te slaan en te zeggen wat een domme godsdienst zij beleven. Het was dus normaal dat men hen niet aanviel op hun godsdienst. Vanaf de tweede generatie had men ervoor moeten zorgen dat hun opleiding, vooral op het gebied van islamitische godsdienst, op een serieus niveau stond. Maar het omgekeerde is gebeurd. Ze zijn doordrongen geworden van het salafisme (een fundamentalistische stroming binnen de soennitische islam, nvdr).”

Mijnheer Boudry, u pleit er al jaren voor om de godsdienstvrijheid af te schaffen. Waarom?

Boudry: “Dat is natuurlijk een provocerende stelling. Het komt erop neer dat we geen behoefte hebben aan een apart verankerd principe in de grondwet dat de godsdienstvrijheid moet heten. Het is overbodig, omdat de godsdienstvrijheid eigenlijk al gewaarborgd wordt door de andere vrijheden die vermeld staan in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en ook in de Belgische grondwet. Meningen zijn vrij, en ik ben daar heel radicaal in. Ongeacht of die meningen religieus zijn of niet. Maar tegenwoordig gaan rechters er vanuit dat godsdienst een speciaal statuut verdient, dat een religieuze mening een bijzondere vorm van respect verdient. En dat vind ik een fout idee.”

Als gewezen jezuïet, mijnheer Vermeersch, wat is uw gedacht daarover?

Vermeersch: “Het is riskant om te zeggen dat je godsdienstvrijheid wil afschaffen, want dat kan heel verkeerd begrepen worden. Mijn benadering is: godsdienstvrijheid ja, maar weeg wat in die godsdienst belangrijk is af tegen het maatschappelijk belang. Volgens de islam mag een man vier vrouwen hebben. Maar wat dan met onze sociale zekerheid, met de kinderbijslag? Dat kunnen wij niet aanvaarden. Volgens de Koran mag een man zijn vrouw slaan, wel, wij kunnen dat niet aanvaarden. Dan moet je niet afkomen met godsdienstvrijheid. Langs de andere kant, je kan in de kantine van een school niet eisen dat iedereen varkensvlees eet. Omdat je geen fundamentele reden hebt om dat op te dringen.”

Filosofen zijn cracks in rationaliseren, maar zijn jullie in deze tijden soms bang?

Vermeersch: “Ik ben al eens bang geweest, in 1944, bij een bombardement waarbij de bommen tot op 150 meter van ons huis vielen en de helft van de straat, kerk incluis, verwoestten.”

Boudry: “En dat was de laatste keer?”

Vermeersch: “Ik denk het wel.”

Boudry: “Ik was daar niet bij. (lacht) Nee, ik laat me niet gauw bang maken, ook niet naar aanleiding van de standpunten die ik inneem tegenover de islam. Ik heb ook nog nooit duidelijke bedreigingen gekregen, wel insinuaties en scheldmails.”

De wereld kent jullie als ernstige heren, wat amuseert jullie?

Vermeersch: “Mijn werk amuseert mij. En ik kook soms. Ik kan heel goed konijn klaarmaken. Dat is ontspannend, maar het kost tijd.”

Wat is ontspannender: konijn klaarmaken of een filosofisch traktaat lezen?

Vermeersch: “Laat ons zeggen dat het konijn toch meer aandacht vergt.”

Boudry: “Ik moet mezelf verplichten om ermee op te houden, om mijn boek dicht te klappen. Dan speel ik piano of ga naar de film. Of ik doe aan sport, omdat ik weet dat het goed voor me is, maar ik haal er geen enkel plezier uit.”

En eens vijf cocktails drinken en een nacht gaan dansen?

Boudry: “Dat deed ik vroeger meer dan nu. Ik zou wat dat betreft een goeie moslim zijn, ik kan perfect zonder alcohol.”

Vermeersch: “Ik heb gisteren nog meer dan vijf cocktails gedronken, bij vrienden. Ik kan daar goed tegen, al kan ik dan geen wiskundig vraagstuk meer oplossen.”

Maar je kan het nog altijd goed uitleggen?

Vermeersch: “Nog beter.” (lacht)

Amusement, is dat belangrijk in verwarde, angstige tijden?

Vermeersch: “Humor is belangrijk. Ken je die mop over de man die God ontmoet? Een miljoen jaar, wat is dat voor u, vraagt hij aan God. Een seconde, zegt God. Wat is voor u een miljoen euro? Een cent, zegt God. Heb je dan alstublieft een cent voor mij? Ja, zegt God, wacht een seconde.” (luid gelach)

Mijnheer Vermeersch, uw studeerkamer, waar we nu zitten, wat betekent die voor u?

Vermeersch: “Een belangrijk stuk van mijn leven. Ik zit te lezen ofwel in mijn zetel in de woonkamer, ofwel hier. En sinds het internet er is, zit ik vaker hier, bij mijn computer. Dat is een zegen, hé. Vanaf een bepaalde leeftijd kom je niet meer op sommige namen of termen, die kan ik nu gewoon googelen.”

Ik kan me voorstellen dat dat voor een man als u een grote angst is, dat u niet meer op uw woorden zou komen.

Vermeersch: “Dat is geen angst, het is wel vervelend. Maar in mijn familie is er geen dementie. Ik moet gewoon zien dat ik nog twee boeken kan schrijven, daarna kan het mij niet meer schelen.”

Mijnheer Boudry, u rijdt niet met de auto. Is dat een principiële kwestie?

Boudry: “Ik zou kunnen zeggen dat ik tegen de CO2-uitstoot ben en daarom alleen met de trein rijdt. Maar eerlijk, ik ben gewoon geen goede chauffeur en het wordt er niet beter op door minder te rijden. Als ik dan toch ergens bang voor moet zijn, dan meer voor auto’s en het verkeer dan voor terroristische aanslagen.”

Terug naar het islamdebat. Jij vindt dat links zich daar schromelijk vergist heeft.

Boudry: “Links heeft zich vergist in het multiculturalisme. Onder dat mom is er vanalles gedoogd dat we niet kunnen aanvaarden. Daardoor is de islamkritiek gekaapt door extreemrechts, al komt daar gelukkig wat verandering in. Ik probeer daartoe bij te dragen, als uitgesproken links denker – ik ben voor een vermogenswinstbelasting, praktijktests voor racisme, noem maar op. Dus pik ik het niet als men zegt dat ik Filip Dewinter in de kaart speel. Als Dewinter zegt dat de wereld rond is, zijn er mensen die zouden zeggen dat hij plat is, om hem niet in de kaart te spelen.”

Links en rechts, zijn dat nog valabele etiketten?

Vermeersch: “Ja. Iemand die linksvoelend is, is iemand die geneigd is partij te kiezen voor de zwakkeren. Het probleem is dat links hier, terecht, gezegd heeft: de moslimmigranten zijn de zwakkeren, dus moeten wij ze steunen. Met het gevaar dat als die zwakkeren fout zijn, ze hen nog blijven steunen.”

Boudry: "Veel linkse denkers hebben verraad gepleegd aan hun eigen principes door geen enkele aandacht te hebben voor de zwakkeren binnen de zwakkeren. Vrouwen, homoseksuelen, afvalligen."

zaterdag 6 augustus 2016

Geen amalgamen, behalve als het ons schikt

'Pas d’amalgames’, weerklonk uit alle progressieve monden na de aanslagen van in Parijs. Bij ons heet dat: alles op één hoop gooien, of verpakt in dure abstracties: veralgemenisering, stigmatisering. Die vermaning is soms terecht, maar even vaak een reflexieve stoplap om discussies te smoren. Natuurlijk zijn niet alle salafisten terroristen of alle Roma dieven, net zomin als alle kettingrokers kanker krijgen. Maar mogen we alstublieft nog discussie voeren over tendensen, correlaties, causale verbanden?
Stuitend is het daarom dat precies zij die anders de mond vol hebben van amalgamen alle remmen hebben losgegooid in de analyse van het ranzige racisme dat de afgelopen dagen kwam opborrelen uit de internetriolen. De amalgamen die daar werden gebrouwen, waren zelden zo bont en smeuïg.
‘Vlaams braaksel’
Ten overvloede: het racistische leedvermaak op de VVL-website over de dood van de Genkse jongen was ronduit walgelijk. Dat kan voor een weldenkend mens vanzelfsprekend lijken, maar het is goed dat politici die morele walging uitspreken, zeker van sommige strekkingen. Net zoals we van moslims verwachten dat ze terreur in naam van Allah krachtig veroordelen, kijken we ook in de richting van Vlaams-nationalisten wanneer een internetgroep met het logo van de Vlaamse Leeuw racistische bagger verspreidt. Extremisten moet je van de groep losweken en marginaliseren. Elke indruk dat ze een breder draagvlak hebben, moet je de kop indrukken. Men zou van bestrijders van racisme dus verwachten dat ze applaudisseren voor de morele afschuw die N-VA-kopstukken uitdrukten bij het ranzige rioolracisme. Dat ze opgelucht zijn dat racisme zo snoeihard wordt veroordeeld (hulde aan John Crombez die dat wel deed).
Maar precies dat konden Ico Maly en Maartje Luif niet verkroppen. Met alle macht moesten ze aantonen dat zulke vunzige rassenhaat, ondanks de universele veroordeling bij alle politieke gezindten, ‘al drie decennia wordt aangewakkerd in de elitevertogen van dit land’ (Maly, DS 4 augustus). De reacties van anonieme internettrollen haalden zowat alle voorpagina’s, en vervulden iedereen die van ver of dicht bij de ‘elite’ hoort van afschuw, maar toch moest het ‘structureel racisme’ een ‘politieke verantwoordelijkheid’ kennen.
Geen enkele schroom deze keer om een hele bevolkingsgroep te taxeren: dit mag gerust ‘Vlaams braaksel’ heten (Stefan Hertmans). Geen fijne onderscheiden ditmaal. Geen vermanende vingers voor amalgamen en veralgemeningen, wel integendeel. Als het over valse zelfkastijding gaat van ‘onze’ samenleving (de wij-bak die ik hier eerder analyseerde, DS 25 november 2015), kan de karwats niet breed genoeg zijn en niet voldoende ruggen ranselen. Het woord ‘afvoerputje’ alleen al was onkies voor Luif, omdat het loochent ‘dat we de soep eerder zelf hebben bereid’ (DS 4 augustus).
Iemand die hamert op de verdediging van westerse waarden? Racisme. Iemand die een bedreiging in de islam ziet? Een racist. Een pleidooi voor integratie, zorgen om dubbele nationaliteit? Dat moet wel ‘elite-racisme’ zijn (Maly). Zorgen om terreurdreiging? Niets dan een ‘paroxysme van xenofobie’, aldus Matthias Somers in De Morgen, alsof hij onze haat voor het vreemde met exotische woorden wou uitdrijven.
Terreur, migratie, Keulen
Het ergste is: door alles tot de noemer van ‘racisme’ te herleiden, schaden Maly, Luif, Somers en anderen hun eigen zaak. Racisme komt voor tussen en tegenover zowat elke bevolkingsgroep. Xenofobie heeft diepe wortels in de menselijke geest, al zou ik niet zo ver gaan als Erik Van de Kelft (DS 5 augustus) dat ‘racisme aangeboren’ is. Door de terreurzomer, de migratiecrisis en gebeurtenissen in Keulen kregen racistische buikgevoelens van sommigen ongetwijfeld een opstoot. Al die ‘bruine kerels’ met een ‘rare naam’, dat zal toch geen toeval zijn zeker? Mensen merken dat er samenlevingsproblemen zijn met nieuwkomers, maar in plaats van die spanningen aan culturele verschillen, religieuze dogma’s of socio-economische achterstelling te wijten, gaan ze een verband leggen met huidskleur en herkomst. Zo werkt ons brein helaas.
Er is daarom geen belangrijker onderscheid dan dat tussen cultuur en etnie, tussen ideeën en de mensen die ze aanhangen. Maar in plaats van dat onderscheid uit te leggen (en daarnaast de culturele verscheidenheid van migranten en nieuwe Belgen te beklemtonen), gooien de zelfverklaarde racismebestrijders alles op één hoop. Elke kritiek op ‘andersdenkenden’, op ‘migratie’, elke roep om ‘integratie’ en behoud van ‘onze waarden’ wordt in hetzelfde afvoerputje meegesleurd: racisme. À la limite is elk pleidooi voor verlichtingswaarden verdacht. Die zijn immers westers, dus van ‘ons’, dus uitsluiting van de ‘ander’, dus superioriteit dus racisme.
De associatie tussen huidskleur en religie, een toevallige speling van geografie en geschiedenis, is de grootste stoorzender in het huidige integratiedebat. Langs de ene kant van het politieke spectrum voedt ze authentiek racisme, langs de andere kant zorgt ze voor een heilige schrik om culturele verschillen te benoemen. Net nu daar wat opening in kwam, willen sommigen een regressie naar de jaren 90.
Scheld mij dus gerust uit voor ‘racist’, ik heb het eerder gehoord. Deze ‘racist’ is alvast voorstander van praktijktests om raciale discriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken, ondanks de juridische bezwaren. Is het niet constructiever om onze rechtse vrienden daarvan te overtuigen, in plaats van amalgamen te maken waarin zelfs ‘onze’ verlichtingswaarden worden verzwolgen?
Misschien moeten die overijverige racismebestrijders de fabel van Aesopus en de wolf eens herlezen. Is het verwonderlijk dat mensen uiteindelijk hun schouders ophalen bij de zoveelste racisme-kreet, als er op zo’n slordige en onverantwoorde manier mee wordt omgesprongen, en als het semantisch zo wordt opgerekt? Als de wolf echt aan de deur staat, gelooft niemand de schreeuwers nog.