zondag 4 december 2016

Hoe links zijn eigen kinderen opeet

Deze zomer bracht ik een bezoek aan de campus van Berkeley nabij San Francisco, na een studiereis in Boston. Berkeley staat bekend als een van de bolwerken van progressief Amerika; de broedplaats van vele progressieve ideeën die later gemeengoed werden in de Amerikaanse samenleving. Maar geruchten hadden me ook bereikt over een doorgeschoten cultuur van politieke correctheid. De verkiezing van Trump was nog een verre nachtmerrie, maar dat deze narcistische vuilbekker het überhaupt tot Republikeinse kandidaat kon schoppen, kwam volgens sommige analisten omdat mensen die politieke correctheid spuugzat zijn.
De huidige generatie studenten aan progressieve universiteitscampussen in de V.S. worden soms sneeuwvlokjes genoemd. Hun teergevoeligheid en hun neiging om aan alles aanstoot te nemen, worden belichaamd in de populaire cultuur van “safe spaces”. Dat zijn ruimtes op de campus of in het auditorium waar studenten gevrijwaard blijven van haatdragende en verontrustende meningen, van beledigingen, en van storend gedrag. Zou ik die sneeuwvlokjes hier in hun natuurlijke habitat aantreffen, in het zonovergoten Berkeley? Toen ik op de campus uitgekuierd was en me terug naar de uitgang begaf, zag ik een groepje studenten met een uitklapbaar tafeltje en enkele plakkaten. Weinig mensen leken acht op hen te slaan, maar een van de borden trok mijn aandacht: “Free horchata. For black folx”. Gratis horchata dus, een Spaans amandeldrankje dat ze ter plekke bereidden. Maar enkel voor zwarte mensen. En verderop: “Black Folx, You Are Beautiful & Loved”. Geen van de studenten was zelf zwart, hoewel sommigen een kleurtje hadden.
Met enige antropologische verwondering stapte ik op hen af. Ik stelde het argwanende meisje gerust dat ik geen horchata hoefde, maar ik vroeg haar wat de aanleiding was van hun actie. “Zwarte mensen verdienen een hart onder de riem, omdat ze het zo hard te verduren hebben door racisme”. Maar is het niet wat ironisch, vroeg ik, om racisme te bestrijden met een boodschap die expliciet discrimineert op basis van huidskleur? Daar had ze een ingestudeerde uitleg voor: “Als er één huis in brand staat, ga je toch ook niet de hele wijk blussen?” OK, laat ons dat even aannemen. “Maar hoe maak je het onderscheid”, wou ik nog weten? “Dat ik niet in aanmerking kom, is evident. Maar hoe donker moet je zijn om een horchata te verdienen? Beoordelen jullie zelf de huidskleur van de kandidaten?”
Op dat moment kwam een Aziatische jongen tussenbeide, die me met lijzige stem toesprak. “We zijn hier niet om in discussie te gaan. Als je over je witte privilege wil leren, moet je maar colleges volgen.” De student vond dat ik me als een “blank herenvolk” gedroeg (white master race), met mijn arrogante vragen. Als ik niet ophoepelde, zou hij de campuspolitie bellen voor “harassment”. Redelijk in de wiek geschoten door deze gratuite uithaal, liet ik me nog ironisch ontvallen: “Mijn excuses dat ik jullie safe space ben binnengedrongen met een kritische vraag.” Waarop de jongen met een uitgestreken gezicht antwoordde: “Precies, dit is onze safe space, heb wat respect daarvoor”.
Politieke correctheid
Indien er een bingo van politieke correctheid bestond, dan kon u nu zowat alle vakjes aanvinken. Een eerste kenmerk is de doorgeschoten verheerlijking van diversiteit en de betutteling van minderheden, die ontaardt in een soort omgekeerd racisme. Een blank manspersoon die zich in een debat mengt, geeft blijk van “white supremacy”. De enige rol die hem is weggelegd, is deemoedig zijn “privileges” te erkennen en te zwijgen. In oktober dit jaar protesteerden Berkeley-studenten voor “Spaces of Color” op hun campus, waar blanke studenten niet zijn toegelaten. Raciale segregatie revisited dus.
Een tweede kenmerk is de sneeuwvlok-mentaliteit. Een kritische vraag wordt aanzien als een vorm van “harassment”, een ruwe inbreuk in de knusse en veilige cocon. Diversiteit is heilig als het om ras en gender en seksualiteit gaat, maar uit den boze als het meningen betreft. Daar heerst de correcte partijlijn. Wie tegenpruttelt is, naargelang de omstandigheid, een racist, seksist, homofoob en transfoob. Of de passe-partout verzamelnaam: bigot.
Een derde kenmerk van politieke correctheid is het koketteren met de eigen deugdzaamheid (virtue signaling). De campusactivisten deden nauwelijks moeite om hun zwarte doelpubliek op op te zoeken. En met amandelnootjes en melk ga je sowieso racisme de wereld niet uit helpen (mocht ik zwart zijn, was ik wellicht beledigd door hun infantilisering). Die sneeuwvlokjes stonden daar dan ook niet voor hun zwarte medemens, maar om met hun eigen nobele inborst te pronken.
Verwarring
Over de term ‘politieke correctheid’ bestaat enorm veel verwarring. Enkele verstandige linkse denkers, van Ignaas Devisch tot Rutger Bregman en Paul Goossens, hebben de afgelopen tijd betoogd dat politieke correctheid een inhoudsloos begrip of een soort fantoom is, dat ofwel nooit bestaan heeft, ofwel al lang vervlogen is. Het probleem is dat ze menen dat “correctheid” verwijst naar numerieke meerderheid of dominantie. Vervolgens tonen zij (terecht) aan dat de gemiddelde burger helemaal niet “politiek correct” denkt over de islam of multiculturalisme. Politieke incorrectheid is dus “nogal gewoontjes geworden” (Bregman) of zelfs “zo mainstream als maar kan” (Devisch). Besluit: incorrect is het nieuwe correct.

Dat zou kloppen, indien “politieke correctheid” gewoon een synoniem was voor “meerderheidsdenken”. Maar dat is niet zo. Het begrip verwijst naar een specifieke moraliserende ideologie die diversiteit verheerlijkt, dwangmatig minderheden verdedigt, en een reële of ingebeelde strijd voert tegen een hele reeks -ismen, in een voortdurend opbod van zelfgenoegzame deugdelijkheid.
Net zoals alle andere pejoratieve begrippen, zoals bijvoorbeeld “racisme”, wordt het begrip “politieke correctheid” vaak misbruikt. Bijvoorbeeld om echte ranzigheid te verdoezelen. Het is ook belangrijk, zoals Devisch en Bregman opmerken, om de versmachtende invloed van politieke correctheid op onze samenleving niet te overdrijven. Bij de intellectuele elite heeft ze invloed, maar nauwelijks bij de brede bevolking. Ga maar eens kijken op Twitter en Facebook. Dat zijn vaak orgieën van politieke incorrectheid. Rechtse mensen die toeteren dat er een soort Orwelliaanse policor-gedachtenpolitie heerst, die iedereen ‘kaltstellt’ en monddood maakt die een onvertogen woord over migranten of moslims uitspreekt, lijden aan een achtervolgingswaan. Die gaan zich, ironisch genoeg, zelf een zielige onderdrukte minderheid wanen.
Rechts populisme
Waarom is politieke correctheid dan toch gevaarlijk? Politieke correctheid is een ander woord voor de linkerzijde die haar kinderen opeet. Linkse mensen zoals ik zijn goedzakken. Niets intimideert ons meer dan de term “racisme”, omdat we geen enkel gedachtegoed meer verafschuwen. Dat is onze heilige schrik: voor racist versleten worden.
Berkeley-sneeuwvlokjes trachtten in 2014 om de uitgesproken linkse komiek Bill Maher van hun campus te weren. Steen des aanstoots? Zijn harde woorden over de islam, die ze “blatantly bigoted and racist” vonden. Mijn KULeuven-collega Nadia Fadil betichtte mij vorige week van “racisme” op Facebook, omwille van mijn publieke uitlatingen over de islam. Dat het Minderhedenforum me had uitgenodigd voor een panelgesprek, vond ze schandalig. Die organisatie zou volgens haar een “veilige ruimte” moeten zijn (herkent u de codewoorden?), waarin minderheidsgroepen niet worden blootgesteld aan vervaarlijke sujetten als ik. Ook de sociologe Samira Azabar van BOEH (Baas Over Eigen Hoofd) en de MO*-journaliste Hasna Ankal noemden me vlakaf een “racist”.
Die beschuldiging is ridicuul - ik ben zelfs voorstander van praktijktests tegen raciale discriminatie - maar er blijft wel iets van kleven. De reden is eenvoudig. In onze contreien is de islam vooral de religie van migranten en nieuwkomers, en de meesten onder hen hebben nu eenmaal een kleurtje (hoewel er voldoende blanke bekeerlingen zijn). Wie de islam bekritiseert, viseert dus ongewild mensen met een andere huidskleur.  

Bij een beetje linkse Gutmensch gaan dan alle alarmbellen af: wegblijven! Niet aanraken! Beter om moslims te ontzien en zelfs een speciale voorkeursbehandeling te geven, teneinde zeker niet de indruk te wekken dat je hen benadeelt. Beter om solidair mee te doen aan World Hijabi Day en met een boerkini te pronken. Maar toon geen solidariteit met ex-moslims en hervormers, want die vallen de islam aan, en die religie is al slachtoffer. Beter om enkel op de katholieke kerk in te hakken. Die is immers van “ons” autochtone blanken, en daarom een veilig doelwit.
Door samenlevingsproblemen niet bij naam te noemen, uit angst om minderheden te viseren, heeft het progressieve kamp de fatale vergissing begaan om die thema’s te laten monopoliseren door rechts en extreemrechts. Echte racisten hebben immers geen last van politiek-correcte smetvrees. In dit land werd er zelfs een heus cordon sanitaire rond gebouwd, een schutkring van intellectuele hygiëne, die niet alleen de standpunten van de bewuste partij onaanraakbaar maakte, maar ook de thema’s waarmee ze in aanraking kwam.
De enkelingen ter linkerzijde die zich wel zonder enige schroom over de islam durven uit te spreken, zoals atheïstische critici van religie, werden besmet door associatie. Voor zover je niet zelf als racist of islamofoob werd uitgescholden, kreeg je te horen dat je het “Vlaams Belang in de kaart speelt” of dat je “extreemrechts mainstreamt”. In werkelijkheid was het net andersom: door linkse critici van de islam en het multiculturalisme met de schriktermen “racisme” en “xenofobie” te intimideren, werd het politieke niemandsland enkel vergroot, en de schutskring rond de thema’s van het Vlaams Belang verwijd. En waar kwamen mensen dan terecht die wakker lagen van migratie en islam?
Terug naar Trump
Inmiddels is de nachtmerrie van Trump werkelijkheid geworden. (Ik houd mijn hart vast voor mijn Berkeley-sneeuwvlokjes) De toekomstige bewoner van het Witte Huis, de leider van de 'free world', de machtigste man ter wereld, is een complete onbenul zonder enige politieke ervaring, een megalomane narcist, een ongeleid projectiel, een grofgebekte brulboei, en een kruitvat vol rancune met het kortste lontje sinds keizer Caligula.
De economische diagnose, die stelt dat Trump aan zijn overwinning werd geholpen door de “verliezers van de globalisering”, klopt niet. De gemiddelde Trump-kiezer is niet arm en laaggeschoold. Exit polls tonen aan dat het mediaan inkomen van Trump-kiezers hoger ligt dan het nationale gemiddelde, rond $70.000 per jaar. Ook die whitelash­­-theorie, die met de vinger wijst naar de boze blanke kiezers in rurale staten, is ontoereikend. Trump scoorde veel hoger dan verwacht bij Latino-kiezers, bij vrouwen en bij zwarten.
Kent u Asra Nomani? Zij is een Amerikaanse journaliste die als correspondent werkte voor de Washington Post. Ze is gekleurd, moslima, hoogopgeleid, immigrante en vrouw. Elk van die eigenschappen zou moeten volstaan om vooral niet voor Trump te stemmen, toch? Dat is nochtans precies wat ze deed.
In een fascinerend stuk in de Washington Post legt ze uit waarom ze ondanks alle vuilbekkerij en populistische prietpraat haar neus dichtkneep en voor The Donald heeft gestemd. Niet dat ik haar stem goedkeur (verre van), maar ik probeer haar beslissing wel te begrijpen. Het zal u niet verbazen dat de woorden ‘politieke correctheid’ en ‘islam’ in haar stuk niet van de lucht zijn.
Exit polls bij de Amerikaanse verkiezingen leren ons dat de belangrijkste beweegredenen van Trump-stemmers "immigratie" en "terrorisme" waren. Niet toevallig zijn dat de onderwerpen waarover het klimaat van politieke correctheid het meest verstikkend is. De politiek correcte riedel over islamterreur, bezongen door zowel Obama als Clinton, en zelfs door voormalig president George W. Bush, gaat als volgt: de islam is een religie van vrede en heeft niets te maken met ISIS en Al Qaeda. Die groepen bestaan uit generische “extremisten”, die de ware islam op cynische wijze hebben misbruikt voor hun wreedaardige doeleinden.
De overwegingen van Obama zijn begrijpelijk, maar de gevolgen zijn catastrofaal. Door de pertinente weigering om de term “islamitisch” zelfs maar uit te spreken in de context van jihadi-terreur, en ondertussen wel aan te schurken bij Saoedi-Arabië en Qatar, lieten Obama en Clinton toe dat Trump zich tot de ultieme uitdager van de politieke correctheid kon kronen. Hij was de enige die de vijand bij naam durfde te noemen, zo klopte hij zichzelf op de borst, dus hij was de enige die hem kon verslaan.

Mestkevers
De hoogdagen van de politieke correctheid in Vlaanderen zijn gelukkig voorbij. De bres is gebroken. Maar laten we de les van Trump niet vergeten. Als politici hun kop in het zand steken over het multiculturele drama, en alle bezorgde burgers wegzetten als racistisch klootjesvolk (zoals Bob Cools vorige week in deze krant), dan moeten ze achteraf niet verwonderd zijn dat ze een grote, balorige opgestoken middelvinger van de kiezer krijgen.
Of om de beruchte metafoor van Karel De Gucht over migratie en extreemrechts een nieuwe wending te geven: wie de mestvaalt braak laat liggen, moet niet verbaasd zijn dat de “mestkevers” lustig kweken.

(De Morgen, 3/12/2016)

dinsdag 29 november 2016

Messias-drogreden

In een klassieke scène uit The Life of Brian van Monty Python wordt de onfortuinlijke Brian achtervolgd door een meute van religieuze fanatici, die in hem de nieuwe heiland zien. Onze onwillige held ontkent in alle toonaarden, maar zijn volgelingen zien in elk gebaar van hem een goddelijk teken, en in elk stom toeval een mirakel. Tot wanhoop gedreven, roept Brian op een bepaald moment uit: “I'm not the Messiah! Will you please listen? I am not the Messiah, do you understand? Honestly!”

Image result for life brian messiah

De godsdolle meute weifelt even, tot iemand oppert: “Only the true Messiah denies His divinity!” Als laatste poging probeert Brian een staaltje omgekeerde psychologie: “All right! I am the Messiah!” Waarop de menigte in ecstase uitbarst: “He is! He is the Messiah!”

De dialoog werkt op de lachspieren, omdat ze een uitvergroting is van een denkfout. Laat ik ze de Messias-drogreden noemen. Persoon X beschuldigt persoon Y van iets; persoon Y ontkent, waarop X die ontkenning als een bevestiging van zijn schuld opvat. Bekent Y gewoon zijn schuld, dan is hij natuurlijk ook schuldig. Wat Y dus ook doet, hij is altijd schuldig.

Een schoolvoorbeeld van de Messias-drogreden is het beroemde weerstandsargument van Sigmund Freud. De kritiek op de psychoanalyse, aldus Freud, bevestigt eigenlijk haar gelijk, want de psychoanalyse voorspelt precies dat mensen zich tegen haar inzichten zouden verzetten. In elk van ons huist immers een onbewuste, dat alles in het werk stelt om verborgen te blijven. 

Natuurlijk kan een heftige en krampachtige ontkenning soms het tegendeel verraden. De frase van Koningin Gertrude in Hamlet is bekend: "The lady doth protest too much, methinks". Toch is het opletten geblazen met dat soort redenaties, want ze werken zelfvervullend. Als je de indruk krijgt dat je schuld al bij voorbaat vast staat, wat je ook zegt of doet, dan word je natuurlijk kwaad. Je zal je onschuld nog harder uitschreeuwen, en op die manier de kromdenker in zijn vermoeden bevestigen. 

De Leuvense jurist Koen Lemmens wees me op een Messias-drogreden in een ernstig academisch artikel over Zwarte Piet. De auteurs verwonderen zich over de “defensieve en vijandige reacties” van blanke Nederlanders bij de Piet-protesten. Die wijzen volgens hen op “ontkenning (denial) en ontwijking”. Ergo: toch racisme.
Nochtans is een andere verklaring plausibeler. In vele ogen is de Sinterklaastraditie zowat het toonbeeld van onschuldig jeugdsentiment. Is het verwonderlijk dat de associatie daarvan met racisme op verontwaardiging botst? Wie die verontwaardiging mordicus duidt als “ontkenning”, zal die uiteraard enkel aanwakkeren.
Overigens, voor dit stuk zelf als een oefening in blanke ontkenning wordt geduid: Zwarte Piet kampt wel degelijk met een imagoprobleem, en ik ben zelf voorstander om de traditie aan te passen. Maar dat betoog is voor een andere keer.

(Filosofie Magazine - december 2016)

maandag 28 november 2016

Durf krenken!

Een analyse van een lezing waarvan geen schriftelijke neerslag bestaat, en waarbij de meeste lezers niet aanwezig waren, blijft een heikele onderneming. Woorden vervlieden snel, en ons geheugen is onbetrouwbaar. Het gevaar bestaat dat je redeneerstappen overslaat, argumenten verkeerd weergeeft of stropoppen opzet. De oorspronkelijke bronnen zijn niet langer controleerbaar voor je publiek.
Ik vrees dat Thomas Rotthier in die val is getrapt, in zijn analyse van mijn lezing zaterdagavond op de Nacht van de Vrijdenker. Ik weet niet of er geluidsopnames zijn van de lezing, maar om het geheugen op te frissen, hierbij mijn slides van zaterdagavond. En hier een eerdere tribune waarop de lezing deels gebaseerd is, kort na de aanslagen op Charlie Hebdo, weliswaar nog getekend door de verontwaardiging van het moment: 
Mijn vertrekpunt was hetzelfde als Rotthier: krenken en gratuit beledigen zijn doorgaans moreel verkeerd. Niettemin ben ik, zelfs vertrekkende van die aanname, bij de conclusie aanbeland dat we, onder welbepaalde omstandigheden, de morele plicht hebben om zaken te schrijven of te publiceren waarvan we zeker weten dat ze mensen zullen krenken. Daarvoor gaf ik zeer specifieke pragmatische argumenten, die Rotthier in zijn analyse hieronder volledig weglaat. In de eerste plaats was mijn argument gebaseerd op de risicospreiding door solidariteit: hoe minder mensen de blasfemische cartoons overnemen, hoe groter het gevaar voor de moedige enkelingen. Charlie Hebdo was het eenzame brandpunt van religieuze haat, omdat bijna niemand anders het aandurfde om cartoons van Mohammed af te drukken. Dat is een gekend probleem van collectieve actie: hoe maak je samen een vuist tegen terroristen? Dat heb ik geïllustreerd aan de hand van het beroemde filmfragment "I am Spartacus" uit de klassieker van Stanley Kubrick.
De effectiviteit van die collectieve strategie heb ik aangetoond aan de hand van het psychologische fenomeen van desensitisatie, dat eerder een succesvolle remedie bleek tegen de lange tenen van godsfanaten. Bij massale verspreiding van blasfemisch materiaal, treedt na verloop van tijd gewennig op. De woede wordt getemperd, de gemoederen bedaren, en uiteindelijk schrijven fundamentalisten enkel nog boze lezersbrieven naar de krant. Dat is precies wat we willen.
Dat het gevaarlijk is om te zwichten voor terreur en om meer "respect" te bepleiten voor religieuze gevoeligheden, heb ik aangetoond door te verwijzen naar de succesvolle intimidatie-strategie van Ayatollah Khomeini, en het gevaar op positieve bekrachtiging van terreur ('onze intimidatie werkt, laten we nog een stapje verder zetten!'). Daarwijs verwees ik naar het voorbeeld van de linguïsten die met de dood werden bedreigd omdat ze de Perzische etymologie van woorden in de Koran hadden bestudeerd. Dat hellend vlak is geen "ongeloofwaardige" fantasie van mij, zoals Rotthier denkt, maar bittere realiteit.
Op basis van die overwegingen, betoogde ik dat kranten in 2006 (na de Deense cartoonrellen) en in 2015 (na de aanslagen op Charlie Hebdo) de morele plicht hadden (behoudens uitzondering van reële angst voor lijfbehoud) om cartoons van de profeet af te drukken, niet OMDAT ze moslims zouden kwetsen, maar ONDANKS dat onvermijdelijke effect. Mijn compromis-voorstel om gevoelige zieltjes te ontzien, bijvoorbeeld aan de hand van het "one-click away" principe van Timothy Garton Ash, waarbij je cartoons één muisklik verwijdert van de argeloze lezer, laat Rotthier ook al helemaal weg. Wat hij overhoudt in zijn conclusie, is de naakte bewering "Boudry pleit ervoor ... te blijven kwetsen". Dat is natuurlijk een grove karikatuur.
En de verdraaiingen houden hier helaas niet op. Nergens heb ik gepleit voor massale verspreiding van "smakeloze, grove grappen", maar precies voor onschuldige en ironiserende afbeeldingen van de profeet, die de draak steken met het arbitraire verbod op afbeelding van profeten waarvan niemand weet hoe ze eruit zagen (zie de laatste slides van mijn presentatie). De 'Jesus butt plug' (een dildo in de vorm van het kindeke Jezus) toonde ik precies om de stelling te ontkrachten dat het "altijd moslims zijn" die worden gekrenkt en geviseerd: de enige profeet die ontbrak in de bewuste dildo-collectie was niet toevallig Mohammed. Dat die afbeelding schokkend is voor christenen, was precies mijn punt: christenen krijgen het vaak veel zwaarder te verduren dan moslims.
Tot slot: het woord "lafheid" sloeg op die opiniemakers die hun eigen angst rationaliseren door moslims collectief als kleine kinderen en sneeuwvlokjes te behandelen, in plaats van toe te geven dat ze gewoon bang zijn voor aanslagen (wat op zich eerbaar is). Het woord "wraakroepend" heb ik niet gebruikt voor "imams", maar voor de journalist Glenn Greenwald, die het aandurfde om de moedige cartoonisten van Charlie Hebdo, uitgerekend zijn eigen links-progressieve bondgenoten, postuum als "racisten" uit te schelden. Voor een "conflictmodel" tussen beschavingen of "altijd en overal krenken" heb ik al helemaal niet gepleit, dat heb ik in de vraagstelling achteraf zelfs expliciet ontkracht.

donderdag 17 november 2016

Leven we in een "post-truth" tijdperk?

Leven we heden in een "post-truth" tijdperk? 'Oxford Dictionaries' koos het begrip uit tot woord van het jaar. De Standaard belde naar mijn collega-filosoof Ruben Mersch en mij voor een reactie.
Volgens mij is dat "post-truth" tijdperk overroepen. Waarheid blijft een centraal en onontkoombaar concept in ons wereldbeeld, waaraan we heel moeilijk kunnen ontsnappen. Elk van ons heeft een wereldbeeld, waaraan we geloof hechten omdat we om een of andere reden denken dat het “waar” is.
Maar zijn er niet miljoenen mensen die de waarheid compleet in de wind slaan? Denk aan dwaallichten die volhouden dat 9/11 een inside job was van Bush en kompanen, dat klimaatopwarming een fabeltje is van groene jongens, dat het geboortecertificaat van Obama vervalst is, of dat Trump al zijn verkiezingsbeloften zal kunnen waarmaken. 
Ook die mensen kunnen echter niet aan het concept "waarheid" ontsnappen. Ze zijn er net zo hard aan verknocht als u en ik. Het probleem is niet dat zijn onverschillig zijn tegenover "waarheid", of dat dat begrip voor hen is voorbijgestreefd, maar dat ze een compleet andere opvatting hebben van wat die waarheid behelst, en dat ze de klassieke bronnen van kennis wantrouwen (wetenschap, traditionele journalistiek, politieke expertise). 9/11-complotdenkers noemen zichzelf niet toevallig "The Truth Movement", met hoofdletter ‘T’. In hun eigen parallel universum streven zij de waarheid en niets dan de waarheid na. Alleen slaan ze de bal compleet mis.
De vraag blijft dan of pseudowetenschap, complotdenken en andere “onwaarheden” aan een opmars bezig zijn. Delft de waarheid steeds meer het onderspit in onze moderne tijd? In de epiloog van 'Illusies voor gevorderden' heb ik gepoogd die vraag te beantwoorden. De opvatting dat er steeds meer irrationaliteit heerst in de wereld, lijkt me op zijn beurt een illusie. Mensen hebben altijd in allerlei vormen van onzin geloofd, alleen valt het nu meer op, doordat ze meer lawaai maken, en doordat we peilingen uitvoeren naar hun opvattingen.
Illusies raken wel degelijk in de verdrukking. Tot voor kort konden ze azen op onze onwetendheid, omdat er toch nauwelijks betrouwbare informatie beschikbaar was. In tijden van massacommunicatie, globalisering en internet worden ze echter steeds meer blootgesteld aan een spervuur van nieuwe informatie, dat steeds meer hun voortbestaan bedreigt.
Ook voor Trump zal het moment van waarheid binnenkort aanbreken, nu hij al zijn knettergekke beloften moet inlossen, en alle voorspellingen moet waarmaken. Zal hij de muur met Mexico bouwen? Zal hij de steenkoolmijnen in de Rust Belt weer openen? Zal hij erin slagen om moslims de toegang tot het land te ontzeggen? Zal de werkloosheid spectaculair dalen onder zijn bewind? Het feit dat hij nu al terugkrabbelt op al die domeinen, spreekt boekdelen. De wederwraak van de waarheid belooft zoet te zijn.
Enkel postmodernistische warhoofden denken dat "waarheid" niet bestaat, of louter een sociale constructie is. En zelfs zij, als puntje bij paaltje komt, geloven die boutades niet echt. Niet alleen is postmodern relativisme zelfondergravend -- is het "waar" dat waarheid niet bestaat, of is dat evenzeer een sociale constructie? -- maar van zodra je postmodernisten uit hun ivoren toren haalt en met de voeten in de echte wereld plaatst, spat hun waarheidsrelativisme uiteen.
Ik herinner me een discussie uit mijn studententijd tijdens een les filosofie, waarbij de docent beweerde dat micro-organismen sociale constructies zijn, die pas "ontstaan" wanneer ze binnentreden in een bepaald wetenschappelijk discours. Vraag: als de pestbacterie pas ontstond in 1894 toen Alexandre Yersin ze "ontdekte", waaraan stierven al die mensen dan in de middeleeuwen? Daar heb ik nooit een helder antwoord op gekregen. Of zoals Richard Dawkins ooit zei: "nobody is a social constructionist at 30,000 feet".

woensdag 16 november 2016

De kater genaamd Trump

Verschillende mensen hebben me de afgelopen dagen herinnerd aan de laatste, nogal omineuze zin van mijn essay over cultuurpessimisme in Zeno. Daarin schreef ik dat ik me pas tot het doemdenken zou bekeren indien niet Hillary Clinton maar Donald Trump de volgende president van de V.S. zou worden.
Achter die woorden blijf ik staan: de verkiezing van Donald Trump is een bijzonder onrustbarende gebeurtenis, die zelfs een verstokte vooruitgangsdenker somber moet stemmen over de (nabije) toekomst. Trump is een complete onbenul zonder enige politieke of diplomatieke ervaring, een megalomane narcist, een onbeschoft en ongeleid projectiel, een kruitvat van rancune met een angstwekkend kort lontje. En zo'n figuur wordt binnenkort de machtigste man ter wereld, de leider van de 'free world'.
Niettemin, hoe gevaarlijk de verkiezing van Trump ook is, de vaakgehoorde analogie met Hitler, ook door verstandige mensen zoals mijn vriend Andreas Tirez, is volgens mij van de pot gerukt. Adolf Hitler had een glasheldere en virulente ideologie, die hij lang voor zijn machtsgreep in 1933 publiekelijk had uiteengezet in Mein Kampf. Die ideologie van rassenzuiverheid en antisemitisme, hoewel doordrongen van paranoïde complotdenken, was even consistent als gevaarlijk, en Hitler was een geslepen strateeg die onvermoeibaar en methodisch te werk ging om zijn plannen te verwezenlijken.
Trump daarentegen is een demagogische windhaan en kazakkendraaier. Het gevaar van Trump zit niet zozeer in zijn ideologie, maar in zijn complete gebrek daaraan. De enige ideologie die Trump aanhangt, is de cultus van zijn eigen zelfverheerlijking. En voor zover er en een coherent programma uit zijn campagne valt af te leiden, is dat tegengesteld aan dat van Hitler. Die laatste was expansionistisch ("Lebensraum"), terwijl Trump pleit voor isolationisme. Bovendien was de prille en fragiele democratie van de Weimar-Republiek in de jaren '30 ook totaal verschillend van de robuuste Amerikaanse democratie.
In ieder geval heb ik de overwinning van Trump totaal niet zien aankomen, en heb ik zelfs een weddenschap afgesloten dat Clinton zou winnen. Ik vertrouwde op de peilingen, die de steun voor Trump om diverse redenen systematisch hebben onderschat. Ik ging ervan uit dat Trump het op zovele manieren zo bont had gemaakt tijdens zijn campagne dat hij zijn eigen winstkansen tot nihil had herleid. Na zijn "grab 'em by the pussy" uitspraak was ik zelfs opgelucht dat hij éindelijk iets had uitgekraamd dat er zo ver over was dat zijn politieke lot leek bezegeld. Niet dus.
Paradoxaal genoeg hebben die ranzige en knettergekke uitspraken hem misschien zelfs aan zijn overwinning geholpen, omdat ze morele banvloeken van elk weldenkend persoon - aan weerszijden van het politieke spectrum - hebben ontlokt, en hem zelfs binnen zijn eigen partij steeds meer isoleerden. Door die collectieve veroordeling kon Trump nog beter profiteren van zijn status als radicale uitdager van het politieke establishment en het 'status quo'. Hoe meer de 'elite' hem uitspuwde voor zijn platvloerse seksisme en zijn xenofobie, hoe groter de balorigheid bij een deel van het electoraat. ("Ha, het is zogezegd onfatsoenlijk en immoreel om niet op Clinton te stemmen? Wel, we zullen nog eens zien!")
Nu de Trump-kater enigszins is gemilderd - ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo verbouwereerd was door een ochtendlijk nieuwsbulletin - is het zoeken naar verklaringen voor deze onwaarschijnlijke gebeurtenis. Met enig voorbehoud (want het stof is nog lang niet neergedwarreld), hierbij een politieke analyse uit De Tijd, waarin mij ook om mijn vijf cent werd gevraagd. 
Ik beweer niet dat ik pasklare antwoorden heb, maar zoals ik eerder al heb aangegeven, is de opkomst van het Trumpisme volgens mij in grote mate een terugslag op het verstikkende klimaat van politieke correctheid: het kwistige misbruik van termen als "racisme" en "islamofobie" om elke kritiek op samenlevingsproblemen in de kiem te smoren, de beknotting van het vrije woord op universiteitscampussen ("safe spaces" en "deplatorming" van politiek onwelgevallige sprekers), en het oeverloze geneuzel over cultureel "ongevoelige" Halloween-kostuums en transgenders in toiletten. En bovenal: het complete onvermogen van zowel Obama als Clinton om het probleem met de politieke islam nuchter onder ogen te zien, of zelfs maar het woord "islam" uit te spreken in de context van jihadi-terreur.
(Toevoeging: De economische malaise in de industriële staten als Wisconsin en Ohio speelde zeker ook een belangrijke rol, maar exit polls wijzen uit dat de belangrijkste beweegredenen van Trump-stemmers "immigratie" en "terrorisme" waren. https://pbs.twimg.com/media/CxFkMLSXUAAr5fD.jpg:large)
Volgens mij is dat de grote uitdaging voor progressieve krachten de komende jaren, ook hier in Europa: gun rechts-populisten niet het monopolie op islamkritiek. Laat hen niet wegkomen met de perceptie dat zij de enigen zijn die de problemen "durven te benoemen". Veroordeel hun knettergekke voorstellen ("Ban all Muslims!"), maar neem tezelfdertijd de angsten en verzuchtingen van mensen ernstig. Hou op met islamcritici de mond te snoeren met de dooddoener dat ze "extreemrechts in de kaart spelen". En schrap voorgoed de onzin-termen "islamofobie" en "cultureel racisme" uit het politiek-correcte draaiboek.

maandag 14 november 2016

Rekenkunde voor altruïsten. Verbeter de wereld met je verstand


Gisteren publiceerde deze krant vier reacties op mijn essay over Effectief Altruïsme in Zeno. Dat is een aardig ‘rendement’, maar zoals de briefschrijvers mij herinneren, is kwantiteit niet het enige wat telt, en is niet alles meetbaar. Laat me daarom even op de kwaliteit van hun argumenten ingaan.

Waardeoordelen

Orhan Agirdag erkent dat liefdadigheid meer ratio nodig heeft, maar betwist mijn pleidooi voor berekening en kostenefficiëntie. Goede doelen zijn nu immers niet met elkaar te vergelijken. Of wil ik mensen soms “onmondig” maken, door “voor anderen te bepalen wat waardevol is”?

Natuurlijk niet. In laatste instantie hangt altruïsme af van waardeoordelen. Als je een effectieve altruïst wil zijn, moet je eerst uitmaken welk ultiem doel je uiteindelijk wil nastreven. De lastigste dilemma’s heb ik in mijn stuk bewust vermeden: hoe weeg je het welzijn van dieren af tegen dat van mensen? En dat van toekomstige generaties tegen mensen die vandaag leven?

Dat belet echter niet dat er over de meest fundamentele waardeoordelen eensgezindheid bestaat: gezond zijn is beter dan ziek zijn, gelukkig zijn is beter dan je miserabel voelen. En hoe langer je gezond en gelukkig bent, hoe beter. Eens we die waarden hebben uitgekozen – en ik neem aan dat Agirdag ze deelt – kunnen we op zoek gaan naar de meest rationele en kostenefficiënte manier om die op globale schaal na te streven. En dat kan via talloze manieren, inbegrepen onderwijs, waar Agirdag mee bezig is.

De reactie van Willem Deconick is daar een goede illustratie van. Deconick verwondert zich erover dat ik met geen woord rep over de overbevolking, en pleit ervoor dat “alle prioriteit moet gaan” naar dit probleem.
Alle prioriteit? Dat zou een effectieve altruïst betwijfelen, maar niet omdat Deconick andere waardeoordelen heeft. Wel omdat een effectieve altruïst de volgende vragen wil stellen: zijn de vooruitzichten voor de mondiale bevolkingsgroei echt zo dramatisch, of zien we dat geboortecijfers overal dalen? (bekijk bijvoorbeeld de TED-talk van Hans Rosling). Is de overbevolking een verwaarloosd probleem, waarbij er nog veel marge is voor nuttige interventies, of krijgt het al voldoende aandacht? Welke zijn precies de meest kosten-efficiënte manieren om overbevolking tegen te gaan, zonder aan het welzijn van de huidige generaties in te boeten? Kan het zijn dat het probleem zichzelf oplost als we mensen uit de armoede tillen en beter onderwijs verstrekken?

Langetermijn en complexiteit

In tegenstelling tot wat Agirdag en Peter Decat denken, houdt een effectieve altruïst wel degelijk rekening met langetermijneffecten, en met complexe interventies. In mijn essay legde ik het onderzoek van Michael Kremer uit, die verschillende interventies in het onderwijs heeft onderzocht, met gerandomiseerde proeven. Het effect van die interventies is niet onmiddellijk zichtbaar, en precies daarom moesten ze onderzocht worden.

Agirdag en Decat onderschatten de wetenschappelijke methode. De gerandomiseerde dubbelblindproef is weliswaar de gouden standaard in wetenschap, maar wanneer die op praktische redenen niet uitvoerbaar is, zijn er heus ook andere methoden, zoals longitudinale cohort-studies, waarbij je verschillende groepen gedurende decennia opvolgt. Door het gebrek aan randomisering, is de bewijskracht minder groot, en het gevaar op valse correlaties groter, maar een effectieve altruïst zal er zeker gewicht aan toekennen, zij het minder dan aan een gerandomiseerde dubbelblindproef.

Wat niet kan, is bij voorbaat uitgaan van een gunstige “langetermijnimpact”, zoals Agirdag doet, met als excuus dat de wetenschappelijke methode tekortschiet om die te meten. Stel je voor dat je dokter je een pil geeft met de uitleg: “Deze pil zorgt ervoor dat je nooit dement zal worden. We hebben de effecten wel niet onderzocht, want die doen zich nu eenmaal pas na decennia voor. En je kan toch niet verwachten dat we onze studies zo lang laten lopen”.

De tegenwerping van Decat is gelijkaardig: de “complexe interventies” die nodig zijn om maatschappelijke structuren te veranderen, zijn volgens hem “oncontroleerbaar en onbewijsbaar”. Maar is dat dan een vrijgeleide om eender welke complexe interventie uit te voeren? Hoe is Decat zo zeker welke interventies wel en niet werken? Ook een complexe gedragsverandering kan je wetenschappelijk onderzoeken. De organisatie Development Media International (DMI) bijvoorbeeld, eveneens hoog gerangschikt bij de ranglijst van GiveWell, bewerkstelligt verandering van menselijk gedrag en sociale normen door goedgerichte media-campagnes, bijvoorbeeld over anticonceptie, handhygiëne en borstvoeding. De effecten zijn minder makkelijk meetbaar dan bij muskietennetten, maar moeilijk gaat ook. De organisatie heeft een gerandomiseerde proef opgezet in Burkina Faso, en die toont een sterke daling aan in kindersterfte. 

Kosteneffectiviteit

Agirdag heeft nog een belangrijk bezwaar tegen de meting van “kosteneffectiviteit”. Dat punt vervalt echter, om de eenvoudige reden dat hij een verkeerde definitie geeft van het begrip. Het percentage van een donatie dat “werkelijk naar de doelen” gaat, is niet de “kostenefficiëntie”, maar staat bekend als de directe kosten, in contrast met de overhead kosten (de werkingsmiddelen van de organisatie). Met kosteneffectiviteit heeft dat niets te maken, in tegenstelling tot wat Agirdag denkt.

Die foute definitie zorgt ervoor dat hij vervolgens een open deur intrapt: niet elke euro die echt in Afrika terechtkomt, zorgt voor minder armoede. Maar dat is precies waar effectief altruïsme om gaat.
De kritiek van Agirdag op de organisatie GiveDirectly toont aan dat hij ze niet kent. De organisatie wordt niet aangeprezen door Effectieve Altruïsten omdat ze lage overhead-kosten heeft, maar omdat het duurzame effect van hun interventies op het menselijk welzijn – door vermindering van armoede – wetenschappelijk is aangetoond.

Herinner je het voorbeeld van de schoolboeken uit mijn essay. Als die schoolboeken niet helpen om schoolprestaties te verbeteren en het leven van kinderen beter te maken, dan maakt het niet uit hoeveel schoolboeken je stuurt. Dan is het ook irrelevant dat de NGO “Schoolboeken voor Afrika” nauwelijks overhead-kosten maakt en bijna elke euro echt aan schoolboeken uitgeeft. De interventie werkt gewoon niet.

Wat moet je dan wel doen? Niet het aantal schoolboeken meten, maar de schoolprestaties van leerlingen. Niet het aantal uitgedeelde klamboes, maar of ze effectief gebruikt worden en gevallen van malaria voorkomen. Dat is wat “kostenefficiëntie” betekent, en dat is precies wat effectieve altruïsten doen.

Neo-liberale meetfetisj?

Tot slot: de perverse effecten van metingen die Agirdag aanhaalt, zijn inderdaad aandachtspunten, maar niets belet dat effectieve altruïsten dat verrekenen. Als is aangetoond (als!) dat het behalen van een bepaald kwantitatief doel een fetisj wordt, die afleidt van waar het echt om draait, dan moeten we op zoek naar een andere maatstaf. Ook dat kan je onderzoeken.

Bijvoorbeeld: als dokters geen terminale patiënten willen behandelen, omdat die slecht zijn voor hun sterftestatistieken, dan moeten we onze metingen aanpassen en die geweigerde patiënten ook verrekenen. Zo gaat wetenschap vooruit. Niet door te beweren dat goede doelen per definitie onmeetbaar zijn, of door te zuchten over de “afrekencultuur”.

(De Morgen, 9/11/2016)

(Korte versie in papieren krant, ondertekend door Tobias Leenaert, Kris Martens en Stijn Bruers van Effectief Altruïsme Vlaanderen)

zondag 6 november 2016

Bezint eer ge doneert. Liefdadigheid vraagt behalve een hart vooral koele berekening

Als kind leurde ik van deur tot deur met kalenders voor Haïti, een glanzende uitgave van uitgeverij Lannoo met fraaie kleurenfoto’s van arme Haïtianen. De actie liep ten voordele van het liefdadigheidswerk van de broers Luk en Jozef Lannoo, missionarissen bij de orde van de Salesianen en telgen uit het Vlaamse drukkersgeslacht. De kalenders kostten 700 Belgische frank, destijds een aardige duit. De overgrote meerderheid van de mensen gooide de voordeur dan ook in ons gezicht dicht, soms onmiddellijk, soms nadat we de prijs noemden. Op een namiddag verkochten we er soms slechts enkelen.


Als kind kon ik niet begrijpen hoe grote mensen zo harteloos konden zijn. Mijn zusje en ik bedelden tenslotte geld voor het “armste land ter wereld” – dat werd ons steeds op het hart gedrukt. Welk onmens bleef onvermurwbaar bij de aanblik van die grote droevige kinderogen op de voorkaft van de Haïtikalender? (Om nog te zwijgen van die van mijn zus en ik).

De waarheid is dat ik de deur vandaag wellicht ook zou dichtgooien, zij het met pijn in het hart. Of op zijn minst zou ik eerst een duidelijk antwoord verwachten op de volgende vragen: Waar gaat de opbrengst van die kalenders precies naartoe? Welke programma’s hebben die Lannoos precies voor ogen in Haïti, en is de kostenefficiëntie daarvan wetenschappelijk aangetoond? Hoe presteert die interventie tegenover andere vormen van ontwikkelingshulp? Wat zijn de productiekosten van die glanzende kalender, en strijkt uitgeverij Lannoo daar een deel van op? Komt dat geld bij de orde van de Salesianen terecht, en gaan die daar misschien ook bekeringswerk mee doen? Of gaan ze er eens goed mee dineren in de dure wijken van Port-au-Prince?

Effectief Altruïsme

Deze en andere vragen staan centraal in de filosofie die bekend staat als “Effectief Altruïsme”, en die de laatste jaren aan een opmars bezig is. De doelstelling van het Effectief Altruïsme laat zich eenvoudig samenvatten: wees altruïstisch en doe goed, maar op de meest doordachte en rationele wijze. De titels van hun boeken vatten het goed samen: Doing Good Better: Effective Altruism and a Radical New Way to Make a Difference van de Schotse filosoof William MacAksill, en The Most Good You Can Do van de bekende moraalfilosoof Peter Singer. In Vlaanderen heeft de beweging ook een afdeling (eavlaanderen.org), met voortrekkers als de dierenrechtenactivist Tobias Leenaert, de moraalfilosoof Stijn Bruers, en de psycholoog Kris Martens.

Goede intenties volstaan niet voor een betere wereld, aldus de filosofie van Effectief Altruïsme. Als we echt een positieve impact willen hebben, hebben vooral ook ratio nodig. We moeten zorgvuldig afwegen welke goede doelen we steunen, op basis van de volgende vragen: Hoeveel mensen bereiken we, en hoe groot is het verschil dat we maken? Gaat het om de meest doortastende en efficiënte manier om een bepaald doel te bereiken? Wat zijn de slaagkansen? Hoeveel leed wordt er verholpen, tegen welk bedrag?

De kille ratio?

Wie op dergelijke vragen hamert bij een fondsenwerving voor een goed doel, wordt doorgaans als niet bijzonder sympathie aanzien. Als het om liefdadigheid gaat, heeft de ratio een kwalijke reputatie. Echte liefdadigheid moet volgens velen uit het hart komen, niet als de uitkomst van een kille berekening. De ware weldoener is hij die schenkt met gulle hand, zonder voorwaarden en lastige vragen. Iemand die daarentegen alles zorgvuldig op een schaaltje afweegt, is een harteloze krent. Of ga jij soms op een wafelenbak op school ten voordele van Music For Life vooraf gaan vragen wat de opbrengst is per verkochte wafel, en wat de kostenefficiëntie is van de beoogde goede doelen? Moet het neo-liberale efficiëntiedenken dan werkelijk tot in elke sfeer van ons leven doordringen?

Ja, dat is exact wat moet gebeuren! Als we een betere wereld willen, hebben we meer ratio nodig, minder emotie. Meer rendement door minder sentiment. Dat tweede deel klinkt wellicht absurd, maar heb even geduld, oh lezer.

Niet alle goede doelen zijn even goed

Bij de eerste zes edities van Music for Life koos Studio Brussel zelf een jaarthema, zoals weeskinderen van AIDS-ouders of slachtoffers van landmijnen of drinkbaar water, waaraan de volledige opbrengst werd geschonken. Sinds enkele jaren regeert de keuzevrijheid. Bij de laatste editie kon je zowaar kiezen uit 1054 verschillende goed doelen. Maar hoe begin je daaraan? Onmogelijk om al die goede doelen met elkaar te vergelijken. Met sommige goede doelen heb je misschien een persoonlijke band, door een ervaring met een ziek familielid, of een liefde voor een bepaald land of volk. Met anderen heb je niet zoveel emotionele affiniteit. Iedereen zou beter het goede doel kiezen dat hij of zij een warm hart toedraagt. Uiteindelijk blijft het toch een kwestie van persoonlijk gevoel. Goedheid valt toch niet te meten, toch?

Dat is nochtans precies wat Effectief Altruïsme beoogt. Niet elk goed doel is even goed. Elke euro die je aan een goed doel schenkt, is één die elders niet kan besteed worden. De verschillen zijn bovendien enorm. Onderzoekers binnen de Effectief Altruïsme beweging hebben berekend dat sommige goede doelen 100 keer beter presteren dan anderen. De organisatie GiveWell heeft een ranglijst opgesteld van de beste liefdadigheidsorganisaties. Daarbij gaat het hard boven hart: ze berekenen de kostefficiëntie, ze bestuderen gecontroleerde proeven naar de effectiviteit, en ze gebruiken een welzijnssmetriek als QALY (Quality-Adjusted Life Years) om de weldaden van de interventies te meten.

Tevens wordt rekening gehouden met wat economen grensnut noemen. Daarbij bereken je de opbrengst van bijkomende schenkingen. Bij een organisatie die al veel media-aandacht krijgt en veel donoren heeft, ligt dat grensnut laag. Daarom zal een Effectieve Altruïst zelden voor noodhulp bij natuurrampen kiezen. Die zijn sterk gemediatiseerd en kunnen sowieso op massale schenkingen rekenen. (Het Japanse Rode Kruis riep de internationale gemeenschap na de tsunami in 2011 zelfs op om niet meer te schenken; er was meer dan geld genoeg.)

De top van die ranglijst der goede doelen (www.givewell.org) wordt aangevoerd door de Against Malaria Foundation, waarvan u wellicht nog nooit heeft gehoord. Die organisatie deelt klamboes uit in tropische gebieden, muggennetten tegen malaria die zijn behandeld met insecticide. Die netten zijn spotgoedkoop (minder dan €5 per stuk) waardoor je met relatief kleine schenkingen gigantisch veel leed kan voorkomen. Er is op dit moment bijna geen betere manier om een euro te besteden, als je geeft om menselijk welzijn, dan ze aan de Against Malaria Foundation te schenken,.

Als je dat vergelijkt met geld voor de opleiding van een blindengeleidehond, of voor de renovatie van een museum, of zelfs voor de strijd tegen kanker, dan blijkt het verschil enorm. Een effectieve altruïst is iemand die verschillende goede doelen met elkaar durft vergelijken, hoe moeilijk dat ook is, en die ervoor pleit om het geld te besteden waar het zoveel mogelijk mensen kan bereiken, en zoveel mogelijk leed kan voorkomen en geluk bewerkstelligen.

Emotionele reflex

Hier is een paradox. Precies waar onze beslissingen er het meest toe doen, zijn mensen het minst geneigd om zich op de ratio te beroepen. Velen vinden dat rationele berekeningen zelfs afbreuk doen aan nobele intenties. Belangrijk is vooral dat je onbaatzuchtig bent en meevoelt met je minder fortuinlijke medemens. Die houding blijkt al uit de vaagterm ‘goed doel’, zoals gebezigd in de volgende dialoog: “Koopt ge onze kalenders, meneer? ‘t Is voor een goed doel.” – “Maar natuurlijk, manneke, als het voor een goed doel is....” Mensen vinden het belangrijk om af en toe wat geld te schenken aan ‘een goed doel’, maar wat dat doel precies inhoudt, en hoe doeltreffend het is, doet minder ter zake.

Voor zover de filantroop een voorkeur voor goede doelen heeft, laat hij (of zij) zich dan ook vooral leiden door emotie. NGO’s weten het uit ervaring. Als ze uitpakken met een aangrijpend verhaal van menselijke ellende, begeleid door aandoenlijke foto’s van arme kinderen, stroomt het geld binnen. Grafieken en cijfers over diezelfde kinderen laten de donor koud. Onderzoek toont zelfs aan dat, als je een persoonlijke getuigenis over een hulpprogramma ondersteunt met wetenschappelijke gegevens over de effectiviteit, mensen minder vrijgevig worden! In de droge woorden van de onderzoekers, Dean Karlan en Daniel Wood: “de emotionele geefimpuls wordt lamgelegd door de aanwezigheid van analytische informatie”.

Is dat geen enorm spijtige zaak? Om nog eens een economische begrip te gebruiken: goede intenties zijn een schaars goed in de wereld. Veel mensen blijven onverschillig bij het lot van hun medemens, en geven hoe dan ook geen geld aan ontwikkelingshulp. Aan hen is de boodschap van het Effectief Altruïsme in de eerste plaats niet besteed. Effectief Altruïsme probeert vooral mensen aan te spreken die wel een goed hart hebben, maar die zich vooral door emotionele reflexen laten leiden, of die gewoon te weinig informatie over effectiviteit hebben. Nochtans is het doodjammer wanneer goede bedoelingen verkwanseld worden aan nutteloze, inefficiënte of zelfs schadelijke interventies.

De schaarste van goede intenties

En dat gebeurt meer dan je denkt, zoals William MacAskill aantoont in zijn boek Doing Good Better. Interventies die aannemelijk lijken en goed klinken, blijken achteraf helemaal niet te werken. Vaak heeft niemand de moeite genomen om de wetenschappelijke basis ervan te onderzoeken. De donoren blijven met een warm gevoel achter, maar komen nooit te weten dat hun geld in een bodemloze put is verdwenen. Wetenschap begint nochtans bij een bescheiden onwetendheid, en bij een bereidheid om vanzelfsprekendheden in vraag te stellen.

De Harvard-econoom Michael Kremer gebruikte de goudenstandaard in wetenschap, de gerandomiseerde proef, om de effectiviteit te onderzoeken van enkele ontwikkelingsprogramma’s voor beter onderwijs in de derde wereld. Waar zouden die kinderen zoal bij gebaat zijn? U kan wellicht zelf wat antwoorden bedenken: meer schoolboeken, beter lesmateriaal, meer leerkrachten per kind. Spreekt voor zich, toch? En baat het niet dan, dan schaadt het niet.

Helaas wees Kremers effectonderzoek uit dat geen van die interventies het verhoopte effect had op de studieresultaten van de kinderen. Na lang zoekwerk, stelde hij tot zijn eigen verbazing vast dat één programma met kop en schouders boven de anderen uitstak: ontworming. Infecties door parasitaire wormen zijn de hoofdoorzaak van schoolverzuim. Door een simpel ontwormingsprogramma, daalde het verzuim met 25%. Zonder wetenschappelijk effectiviteitsonderzoek, waren we dit nooit te weten gekomen. Dan was ons gemoed gewoon volgeschoten bij de aanblik van die klas met arme kindjes, en hadden we met gulle hand schoolboeken opgestuurd. Maar die schoolboeken waren misschien te technisch voor de kinderen, of onbruikbaar, of ze waren al in overvloed aanwezig en daarom nutteloos.

Geef wat je kan

Effectief Altruïsme heeft een optimistische levensvisie. Nog nooit leefden we in een tijd waarin we zoveel goeds konden verrichten. Door moderne technologie, internet en wetenschap kunnen u en ik met enkele eenvoudige muisklikken mensenlevens redden aan de andere kant van de wereld. Dat is wonderlijk. Maar dan moet je eerst uitzoeken welke interventies het grootste effect sorteren, en daar dan volop op inzetten.

Effectief Altruïsme wil de koek dus niet enkele beter verdelen, maar ook groter maken. De twee houden met elkaar verband. Als je de indruk krijgt dat liefdadigheidsorganisaties ondoorzichtige en bodemloze putten zijn waarin goede bedoelingen verdrinken, zal je niet geneigd zijn om er veel geld aan weg te schenken. Maar stel dat je spijkerharde garanties krijgt dat elke geschonken euro een netto positief effect teweegbrengt aan de andere kant van de wereld, dat tot honderd of duizend keer hoger ligt dan wat je er hier voor kan kopen. Zal je dan niet geneigd zijn om dieper in je buidel te tasten?

En laat ons wel wezen: onze buidels zijn erg diep. Die 1% waar de betogers van Occupy Wall Street tegen uitvaren, dat zijn wij. Onze westerse welvaart kent historisch gezien geen weerga. Nog nooit hadden we zoveel geld, en nog nooit hadden we zoveel mogelijkheden om er zoveel goeds mee te verrichten.

Dat brengt me bij Giving What We Can, een initiatief binnen het Effectief Altruïsme van de moraalfilosoof Toby Ord.  Op de website van deze organisatie (www.givingwhatwecan.org) kan je The Pledge ondertekenen, een belofte om levenslang 10% van je inkomen weg te schenken aan liefdadigheid, bij voorkeur natuurlijk aan de organisaties die hoog op de lijst van Giving Well prijken. Bijna 2.000 mensen hebben inmiddels The Pledge ondertekend. Die 10% klinkt drastisch, maar je kan ook met een kleiner percentage beginnen, en een kortere proefperiode nemen in plaats van meteen de levenslange Pledge.

Morele schroom

Ik heb even voor mezelf de rekening gemaakt: die 10% kan ik best missen (zeker met de vorstelijke bedragen die De Morgen voor deze rubriek betaalt). De beste manier om te verzekeren dat je de daad bij het woord voert, is om je er publiekelijk toe te verbinden. Bij deze. Daarvoor moeten we ook een morele schroom overwinnen, zoals Tobias Leenaert betoogde op MO*. De katholieke moraal stelt dat de nobele weldoener in alle discretie schenkt, zonder op enige vorm van publieke erkenning te rekenen (behalve van God natuurlijk). Dan pas is liefdadigheid moreel ‘zuiver’. In die morele visie staat barmhartigheid centraal, niet zozeer rationele en efficiënte oplossingen voor wereldleed.

Die schroom om met je liefdadigheid te koop te lopen, herken ik bij mezelf. Wellicht stamt ze uit de tijd toen ik, doordrongen van christelijke caritas, van deur tot deur met Haïtikalenders leurde. Dat gaf me vooral zelf een warm gevoel, maar ik weet niet of het ooit levens heeft gered.

Bij Effectief Altruïsme gaat het echter om tastbare resultaten, niet om morele zuiverheid. De mens is een sociaal zoogdier, en hanteert zijn medemens als maat van alle dingen. Maandelijks 15 euro overschrijven aan Artsen Zonder Grenzen of Amnesty is tegenwoordig zowat de sociale norm, voor hoogopgeleide en goedverdienende westerlingen als (u en) ik. Maar 10% van je inkomen wegschenken? Dat klinkt buitenissig. Waarom zou je een inspanning leveren die niemand in je omgeving levert? Zelfs onze federale overheid besteedt tenslotte maar 0,42% van het BNI aan ontwikkelingshulp. Op basis van sociale psychologie kan je echter voorspellen: hoe meer mensen aankondigen dat ze The Pledge ondertekenen, hoe meer onze morele standaard naar boven opkrikt. Ook dat is wetenschap, en daarom binnen de geest van Effectief Altruïsme.

Tot slot is er ook een volstrekt zelfzuchtige drijfveer om een effectieve altruïst te worden. Onderzoek toont aan dat het voor een duurzame stijging van je eigen gelukspeil zorgt. Effectieve altruïsten ervaren hun daden zelfs niet als een opoffering. De wetenschap dat ze een positieve impact hebben op de wereld, compenseert ruimschoots de financiële aderlating, en geeft duurzaam zin aan hun leven. Geld maakt dus wel gelukkig, vooral als je het kan weggeven.

Had ik het in mijn vorige essay hier niet over het oeverloze en teneerdrukkende cultuurpessimisme, dat predikt dat de westerse mens zich ondanks zijn decadente welvaart nog nooit zo miserabel heeft gevoeld? Dan is hier een meer hoopvolle boodschap: niet alleen ging het nog nooit zo goed met de wereld, maar door persoonlijk aan verdere verbetering bij te dragen, word je van de weeromstuit nog gelukkiger ook. Waar wacht gij nog op, éénprocenters aller landen?

(Essay in Zeno, De Morgen, 5/11/2016)